Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
11-1766 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 2. De forse beperkingen zoals geduid door de bedrijfsarts, in die mate dat werkneemster definitief niet meer geschikt is voor reguliere arbeid, kunnen volgens de verzekeringsarts niet overeind blijven. Betrokkene had hieruit kunnen afleiden dat de visie van bedrijfsarts dat werkneemster niet over benutbare mogelijkheden beschikte, door appellant niet werd gevolgd en dat sprake was van een veranderde medische situatie van werkneemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1766 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 februari 2011, 09/1957 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] gevestigd te [vestigingsplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens [naam werkneemster], wonende te [woonplaats] (werkneemster) als partij deelgenomen.

Datum uitspraak: 9 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Werkneemster heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Namens betrokkene zijn als gemachtigden verschenen [E.] en P. Smits, arts. Tevens is mr. C.F.F. Wilms-aan ’t Goor als gemachtigde van werkneemster verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 20 april 2009 (primair besluit) heeft appellant het tijdvak waarin werkneemster jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 45 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.2. Het door betrokkene tegen het primair besluit gemaakt bezwaar is door het Uwv, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 10 september 2009 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 september 2009, bij besluit van 23 september 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene in de periode in geding in redelijkheid onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht ten aanzien van spoor 2. Aan die uitspraak wordt het volgende ontleend, waar voor eiseres en verweerder dient te worden gelezen: betrokkene en appellant:

“3.5. De rechtbank kan verweerder volgen in diens standpunt dat eiseres als werkgeefster eindverantwoordelijke is ten aanzien van het re-integratietraject, waarbij eiseres niet zonder meer af kan gaan op de bevindingen van de door haar ingeschakelde deskundigen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat bij een andere beoordeling van de benutbare mogelijkheden van werkneemster door de bedrijfsarts enerzijds en de (bezwaar)verzekeringsarts anderzijds, eiseres zich per definitie op onjuiste argumenten heeft gebaseerd door de re-integratie-inspanningen te baseren op de beoordeling door de bedrijfsarts. De vraag die verweerder dient te beantwoorden is immers of eiseres in redelijkheid tot de door haar verrichte re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen en, daaraan voorafgaand, of verweerder dus in redelijkheid op de bevindingen van de bedrijfsarts ten aanzien van de benutbare mogelijkheden heeft mogen afgaan. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder deze redelijkheidstoets bij de beoordeling heeft gehanteerd. Evenmin blijkt uit de door verweerder aan zijn bestreden beslissing ten grondslag gelegde rapportages om welke redenen eiseres vanaf 24 oktober 2008 had moeten twijfelen aan het oordeel van de daarvoor door haar geraadpleegde bedrijfsarts en externe medisch deskundigen. Van een wijziging in de toestand van betrokkene wordt immers door de verzekeringsarts Hoogsteen en de bezwaarverzekeringsartsen Klijn en Van Muijen niet gerept; zij verbinden slechts (achteraf) een andere waardering aan dezelfde medisch gegevens. Tenslotte merkt de rechtbank op dat overigens onvoldoende is gebleken dat verweerder de terugval in de gezondheidssituatie van werkneemster in februari 2009 en de wél verrichte inspanningen (zoals hiervoor onder 3.4.2 uiteengezet) heeft betrokkene in de beoordeling.”

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aanvraag om een WIA-uitkering met verkorte wachttijd na het medisch onderzoek dat plaatsvond op 24 oktober 2008, is afgewezen bij besluit van 28 oktober 2008. Gezien dit besluit had betrokkene vanaf 24 oktober 2008, in ieder geval vanaf 28 oktober 2008, moeten twijfelen aan het oordeel van bedrijfsarts E.J.A.M. Kremer, althans was betrokkene vanaf 24 resp. 28 oktober 2008 op de hoogte van het van de bedrijfsarts afwijkende standpunt van appellant. Verder heeft appellant erop gewezen dat volgens de verzekeringsarts in februari 2009 slechts enkele dagen sprake was van geen benutbare mogelijkheden van werkneemster. Het zeer tijdelijk ontbreken van benutbare mogelijkheden heeft geen tot nauwelijks gevolgen gehad voor de re-integratiemogelijkheden.

3.2. Betrokkene heeft in haar verweerschrift de aangevallen uitspraak onderschreven. Naar de mening van betrokkene was er geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de bedrijfsarts. Voor een aanvraag WIA-uitkering na verkorte wachttijd gelden andere (medische) criteria.

3.3. Werkneemster heeft uiteengezet dat zij het standpunt van appellant deelt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gezien de standpunten van partijen spitst het geschil zich toe op de vraag of er vanaf 24 (dan wel 28) oktober 2008 sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene in spoor 2.

4.2. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts van 2 en 17 april 2009 en van de arbeidsdeskundige van 8 april 2009 en in bezwaar op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 10 september 2009 en de bezwaararbeidsdeskundige van 22 september 2009. De verzekeringsarts heeft naar aanleiding van de toetsing van het re-integratieverslag aangegeven dat bij werkneemster, gezien de medische gegevens, haar presentatie en dagverhaal, alsmede het eigen onderzoek op het spreekuur geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Wel zijn er in verband met de vasculaire risicofactoren beperkingen te stellen. De verzekeringsarts kan zich niet verenigen met de door bedrijfsarts Kremer op 20 augustus 2008 getrokken conclusie dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden meer heeft. Met verwijzing naar het in verband met de aanvraag verkorte wachttijd opgemaakte verzekeringsgeneeskundig rapport van 24 oktober 2008 is de verzekeringsarts van oordeel dat vanaf laatstgenoemde datum de periode aanvangt dat er geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Tot die datum is er waarschijnlijk wel sprake geweest van geen benutbare mogelijkheden. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat het re-integratieresultaat onvoldoende is en dat daarvoor geen deugdelijke grond is. Betrokkene is ten onrechte afgegaan op de door bedrijfsarts Kremer vastgestelde belastbaarheid en heeft ten onrechte de inzet in spoor 2 stopgezet na de conclusies van 20 maart 2008 van de geraadpleegde arbeidsdeskundige van Salto Re-integratie B.V. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport gemotiveerd aangegeven dat er geen aanleiding is tot herziening van de medische grondslag van het primair besluit. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconcludeerd dat de loonsanctie moet worden gehandhaafd. Hij wijst erop dat de belastbaarheid van werkneemster na het arbeidskundig onderzoek door Salto in maart 2008 is toegenomen. Er ligt een uitspraak van de verzekeringsarts dat werkneemster per 24 oktober 2008 weer benutbare mogelijkheden heeft. Het is plausibel dat na die datum er geen mogelijkheden zijn in spoor 1. Vanaf dat moment had betrokkene de re-integratie van werkneemster moeten richten op spoor 2. Het aanbieden van arbeidstherapeutisch werk in spoor 1 doet hieraan niet af, nu dit niet het einddoel is. De bevindingen van Salto van maart 2008 zijn gebaseerd op niet actuele medische gegevens en dit levert volgens de bezwaararbeidsdeskundige dan ook geen deugdelijke grond op.

4.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 2. In dat verband verwijst de Raad onder meer naar het besluit van 28 oktober 2008, waarbij appellant de aanvraag om een WIA-uitkering na een verkorte wachttijd heeft afgewezen. In het aan dat besluit ten grondslag liggend rapport van 24 oktober 2008 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat werkneemster weinig klachten en belemmeringen ervaart. Uit het dagverhaal blijkt dat werkneemster normaal functioneert in de thuissituatie. Verder zijn er tijdens het spreekuur geen neurocognitieve beperkingen waargenomen. Evenmin is sprake van actieve psychopathologie. De forse beperkingen zoals geduid door de bedrijfsarts, in die mate dat werkneemster definitief niet meer geschikt is voor reguliere arbeid, kunnen volgens de verzekeringsarts niet overeind blijven. Naar het oordeel van de Raad had betrokkene reeds hieruit kunnen afleiden dat de visie van bedrijfsarts Kremer dat werkneemster niet over benutbare mogelijkheden beschikte, vanaf 24 oktober 2008 door appellant niet werd gevolgd en dat sprake was van een veranderde medische situatie van werkneemster ten opzichte van de situatie van vóór 24 oktober 2008. Anders dan de rechtbank overweegt heeft de verzekeringsarts in het rapport van 24 oktober 2008 gemotiveerd aangegeven dat sprake is van een veranderde medische situatie en is er geen sprake van (achteraf) een andere waardering van dezelfde medische gegevens. Indien betrokkene zich met dit medisch advies van de verzekeringsarts, dat met betrekking tot werkneemster vanaf 24 oktober 2008 weer sprake is van benutbare mogelijkheden, niet kon verenigen, had het op zijn weg gelegen om dit advies voor te leggen aan bedrijfsarts Kremer dan wel aan een ander medische deskundige. In elk geval had het besluit van 28 oktober 2008 en het daaraan ten grondslag liggend verzekeringsgeneeskundig rapport voor betrokkene aanleiding behoren te zijn om alsnog re-integratie-activiteiten te starten. Dat nadien op adequate wijze de re-integratie van werkneemster in spoor 2 ter hand is genomen, zoals door betrokkene wordt gesteld, is de Raad niet gebleken. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat in spoor 2 ten tijde hier van belang er slechts het voornemen was om een aanvraag in te dienen voor een WSW-indicatie ten behoeve van werkneemster, welk voornemen niet is uitgevoerd. Eerst in oktober 2009 heeft betrokkene ten behoeve van de inzet in spoor 2 een re-integratiebureau ingeschakeld. Ook onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat de uitval van werkneemster in februari 2009 van enkele dagen geen tot nauwelijks gevolgen heeft gehad voor de re-integratiemogelijkheden.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen, volgt dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit niet in stand heeft gelaten en het primair besluit heeft herroepen. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van werkneemster voor verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 437,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting) en in hoger beroep tot een bedrag van € 656,- (0,5 punt voor het geven van een schriftelijke uiteenzetting en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal € 1.093,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van werkneemster in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.093,-.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I.J. Penning.

JL