Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
11-2920 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering. Het beroep van appellant op rechtsverwerking faalt. De door appellant gestelde combinatie van factoren levert geen dringende reden op, op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2920 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 april 2011, 10 - 5832 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 21 februari 2011.

Appellant heeft nadere gronden ingediend waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012.

Namens appellant is mr. Bouwman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als schoonmaker. Naar aanleiding van zijn uitval wegens ziekte in oktober 1995 is aan hem met ingang van 23 oktober 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke uiteindelijk sindsdien werd berekend naar de klasse 80 tot 100%.

1.2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op 15 november 2006 onderzocht door een verzekeringsarts. In een rapport van 9 januari 2007 schreef deze arts dat appellant bij het onderzoek heeft gemeld dat hij sinds 2002 werkt. Na een bezwaarprocedure is het besluit van 14 mei 2007 tot intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 10 juli 2007 bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 ongedaan gemaakt, omdat niet over de stukken kon worden beschikt.

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 september 2009, 09-147, ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 27 november 2008. Bij dit besluit heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 25 juni 2008. Deze besluiten hielden in dat in verband met inkomsten uit arbeid de WAO-uitkering van appellant over verschillende perioden in het tijdvak van 1 september 2004 tot 25 augustus 2008 volledig werd betaald dan wel werd betaald naar nader aangegeven klassen onderscheidenlijk dat deze uitkering met ingang van 25 augustus 2008 werd herzien naar de klasse 35 tot 45%. In het kortingsbesluit van 25 juni 2008 is tevens meegedeeld dat zal worden berekend of appellant een nabetaling zal ontvangen dan wel dat sprake zal zijn van een terugvordering. Tegen de uitspraak van 10 september 2009 is geen hoger beroep ingesteld.

2.1. Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2009 aan appellant meegedeeld dat van appellant wordt teruggevorderd de ten onrechte betaalde uitkeringen over het in overweging 1.3 vermelde tijdvak en dat na verrekening met de nabetaling van de WAO-uitkering over enkele maanden een terugvordering resteert van € 10.471,65 bruto.

2.2. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is uiteindelijk door het Uwv - na intrekking van een eerder besluit op bezwaar van 4 mei 2010 omdat ten onrechte geen hoorzitting was gehouden - bij besluit op bezwaar van 29 september 2010 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 29 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft over de beroepsgrond dat de besluitvorming over de terugvordering erg lang heeft geduurd, overwogen dat het Uwv in 2006 bekend is geworden met de inkomsten van appellant en dat met het terugvorderingsbesluit van 23 december 2009 is gebleven binnen de overeenkomstig artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek geldende verjaringstermijn van de rechtsvordering wegens onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser met de vordering bekend is geworden. Voor zover appellant van mening is dat het Uwv in verband met schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) om dringende redenen had moeten afzien van terugvordering, overwoog de rechtbank dat die termijn aanvangt als kan worden gesproken van een geschil tussen partijen. Daarvan is in dit geval sprake bij de ontvangst van het bezwaar op 2 februari 2010 en gezien de datum van haar uitspraak is die termijn nog niet geschonden. Volgens de rechtbank zijn er voorts in de periode van 2006 tot december 2009 geen langdurige perioden geweest zonder tekenen van het Uwv, zodat bij appellant niet het vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat het Uwv van terugvordering zou afzien. De rechtbank zag ten slotte in de claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant vier maanden na het terugvorderingsbesluit van 23 december 2009 geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4. In hoger beroep heeft appellant de in bezwaar en beroep voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Ter zitting is namens appellant desgevraagd bevestigd dat er geen gronden zijn tegen de berekening van het terugvorderingsbedrag.

5.1. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het in 3.2 samengevat weergegeven oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit.

5.2. De Raad tekent, naast en in aanvulling op dat oordeel van de rechtbank, nog aan dat ter zitting namens appellant is verklaard dat het dossier noch de eigen administratie van appellant aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat eerder dan bij het onderzoek van de verzekeringsarts in november 2006 aan het Uwv melding is gedaan van de inkomsten uit arbeid, die aanleiding hebben gegeven tot de in 1.3 vermelde besluitvorming over de WAO-uitkering van appellant en de thans in geding zijnde terugvordering. In het licht hiervan en in aanmerking genomen dat al in het kortingsbesluit van 25 juni 2008 mededeling is gedaan van mogelijke terugvordering, is de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 september 2007 (LJN BB4919) - van oordeel dat het beroep van appellant op rechtsverwerking faalt.

5.3.1 Wat betreft het beroep van appellant om af te zien van terugvordering vanwege een combinatie van sociale en medische redenen overweegt de Raad dat ter zitting namens het Uwv is toegelicht dat de claim van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant uiteindelijk bij besluit op bezwaar van 18 oktober 2010 heeft geleid tot een herziening van de WAO-uitkering naar de klasse 80 tot 100% met ingang van 8 juli 2009 en dat voorts een nabetaling naar die klasse is gevolgd. Hierop verklaarde de gemachtigde van appellant wel bekend te zijn met dit besluit maar niet met die omvangrijke nabetaling. Voorts stelt de Raad vast dat in het in rubriek I vermelde rapport van Coehoorn alsnog is ingegaan op de vraag of in dit geval sprake is van dringende redenen op medische gronden. Coehoorn heeft bij haar ontkennende beantwoording van die vraag aandacht geschonken aan het uit het rapport van de arts T. Counts van 15 juni 2010 naar voren gekomen beeld van de gezondheidssituatie van appellant in verband met zijn melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van 17 april 2010. Counts beschrijft op basis van de beschikbare medische gegevens en de anamnese een beeld van verhoging van angstgevoelens en onzekerheid bij appellant na het acuut myocard-infarct in april 2010, dat, gezien de door appellant verstrekte informatie, kennelijk een mild verloop heeft gehad. Uit het onderzoek van Counts concludeert Coehoorn dat het psychisch ziektebeeld van appellant niet ernstiger is geworden en dat de fysieke gevolgen van het infarct niet groot zijn. De Raad merkt op dat van de zijde van appellant geen medische gegevens zijn overgelegd die aanknopingspunten bieden voor zijn standpunt dat er een verband is tussen het terugvorderingsbesluit en dit myocard-infarct.

5.3.2. Overweging 5.3.1 leidt ook de Raad tot de slotsom dat de door appellant gestelde combinatie van factoren als vermeld in 5.3.1 geen dringende reden oplevert op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 21 september 2009 (LJN BB4777) slaagt dan ook niet. In die uitspraak was sprake van het geheel achterwege gebleven zijn van een onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts, terwijl de betrokkene in die zaak had gesteld door het uitblijven van uitkering in geldnood te zijn gekomen in een periode dat hij chemotherapie onderging met zware bijverschijnselen, complicaties en een noodzakelijke bloedtransfusie. In die uitspraak was derhalve een situatie aan de orde die, gelet op het onderzoek van Coehoorn, in het geheel niet vergelijkbaar is met die van appellant. Dat het onderzoek van Coehoorn eerst in hoger beroep heeft plaats gevonden, doet daaraan niet af.

5.4. De overwegingen 5.1 tot en met 5.3.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met enige aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

NW