Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
10-5503 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor proceskosten. Appellant ontving ten tijde van het ontstaan van deze schuld - en ook ten tijde in geding - bijstand en beschikte dus over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft geen recht op bijstand. De stelling van appellant dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het college alsnog tot het verlenen van bijzondere bijstand over dient te gaan treft geen doel. Er is geen grond voor het oordeel dat de afwijzende beslissing van het college op het verzoek om bijzondere bijstand appellant heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5503 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 augustus 2010, 09/1293 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

Datum uitspraak: 15 mei 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 8 november 2008 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor proceskosten.

1.2. Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 2 april 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f (oud), van de WWB geen recht op bijstand bestaat voor de gedeeltelijke of algehele aflossing van een schuldenlast.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de beoordeling van de vraag of en in hoeverre sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden is zowel bepalend de strekking van de aanvraag, zoals die moet worden afgeleid uit de stukken die aan het primaire besluit ten grondslag liggen, alsook de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag. Van een schuld is sprake indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan. Zijn de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening gebracht en feitelijk al door een ander betaald, dan is sprake van een schuld jegens die ander, indien een verplichting tot terugbetaling jegens die ander voldoende is aangetoond

(CRvB 7 augustus 2007, LJN BB1649).

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant is veroordeeld in de kosten die de gemeente Haarlem heeft gemaakt voor de uitvoering van de bestuursdwang, de kosten die de gemeente Haarlem heeft moeten maken in verband met de invordering van deze kosten en de proceskosten, voordat hij de aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Ter zitting is gebleken dat appellant op 29 september 2008, vóór de aanvraag van 8 november 2008, een overeenkomst heeft gesloten over de betaling van de proceskosten. De gemeente Alkmaar heeft het bedrag aan de gemeente Haarlem voldaan en houdt maandelijks een termijn in op de bijstand van appellant. Er was dan ook ten tijde van de aanvraag sprake van een schuld van appellant tegenover de gemeente Alkmaar.

4.3. Vaststaat dat appellant ten tijde van het ontstaan van deze schuld - en ook ten tijde in geding - bijstand ontving en dus beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.4. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f (oud), van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.5. De stelling van appellant dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het college alsnog tot het verlenen van bijzondere bijstand over dient te gaan treft geen doel. Naar vaste rechtspraak kan een schuldenlast in beginsel niet kan worden aangemerkt als een zeer dringende reden en er is geen aanleiding om in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken. Verder valt niet in te zien dat, zoals appellant heeft gesteld, de schuld aan de gemeente Alkmaar gezinshereniging in de weg zou staan.

4.6 Ter zitting van de Raad heeft appellant bevestigd dat zijn beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ziet op de toegang tot de rechter. Appellant heeft in de procedure, waarin hij uiteindelijk is veroordeeld tot het betalen van de kosten en voor welke kosten appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd, verweer gevoerd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de afwijzende beslissing van het college op zijn verzoek om bijzondere bijstand appellant heeft belemmerd in zijn recht op toegang tot de rechter.

4.7. Uit hetgeen onder 4.1. tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD