Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
11-6080 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering voorschot. Verrekening vakantiegeld met de openstaande vordering. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan appellant een voorschot van € 1.000,-- is uitbetaald. Onder de omstandigheden van dit geval had appellant niet redelijkerwijs kunnen begrijpen dat sprake was van onverschuldigd betaalde bijstand. Het college is daarom niet bevoegd om het bedrag van € 1.000,-- van appellant terug te vorderen. Dit betekent dat het college ook niet bevoegd is tot verrekening met de vakantietoeslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraken I en II en vernietiging van de bestreden besluiten. Herroeping van de primaire besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6080 WWB

12/1359 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2011, 11/2302, (aangevallen uitspraak I) en het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2012, 11/5125, (aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 15 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat, in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Angeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij vonnis van 7 april 2008 heeft de rechtbank Amsterdam voor appellant de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2011 is de schuldsaneringsregeling beëindigd en heeft appellant een zogenoemde schone lei verklaring verkregen.

1.2. Appellant heeft zich op 27 januari 2010 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college aan appellant met ingang van 27 januari 2010 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. In dit besluit staat vermeld dat als appellant een voorschot op de bijstandsuitkering heeft ontvangen, dit voorschot wordt verrekend met de eerste uitbetaling van deze uitkering.

1.3. Omstreeks 26 maart 2010 heeft het college aan appellant een bedrag aan bijstand uitbetaald van € 1.867,05. De uitkeringsspecificatie van 20 maart 2010, waarop ook het bedrag van € 1.867,05 staat vermeld, bevat een overzicht van alle financiële mutaties in de periode 19 februari 2010 tot en met 19 maart 2010. Op 26 maart 2010 heeft appellant naar aanleiding van het uitbetaalde bedrag telefonisch contact opgenomen met de Dienst Werk en Inkomen (DWI).

1.4. Bij besluit van 31 januari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB een voorschot van € 1.000,-- van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 18 april 2011 (bestreden besluit I) heeft het college, onder wijziging van de grondslag van de terugvordering in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat appellant op 22 februari 2010 een voorschot van € 1.000,-- heeft ontvangen. Het college heeft verzuimd dit voorschot te verrekenen met het omstreeks 26 maart 2010 betaalde, en op de periode van 27 januari 2010 tot en met 31 maart 2010 betrekking hebbende, bedrag van € 1.867,05.

1.5. Bij besluit van 25 mei 2011 heeft het college het vakantiegeld van appellant ter hoogte van € 549,32 verrekend met de openstaande vordering. Bij besluit van 28 september 2011 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden

besluit II ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd. Appellant ontkent dat hij een voorschot van € 1.000,-- heeft ontvangen. Een medewerkster van de DWI heeft hem in het telefoongesprek van 26 maart 2010 nadrukkelijk medegedeeld dat hij recht had op het door hem ontvangen bedrag aan bijstand van € 1.867,05. Als al sprake zou zijn van een onverschuldgde betaling, dan betoogt appellant dat het college de vordering ter verificatie had moeten aanmelden bij de bewindvoerder.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan appellant in februari 2010 een voorschot van € 1.000,-- is uitbetaald. Zo heeft appellant niet verzocht om toekenning van een voorschot en is ook niet gebleken dat het college een besluit heeft genomen waarbij aan hem een voorschot is toegekend. Op een uitdraai van het door de DWI gehanteerde systeem Focus, staat vermeld dat op 23 februari 2010 een bedrag van € 1.000,-- is betaald aan appellant, bestemd voor levensonderhoud in de periode van 27 januari 2010 tot en met heden. Op een andere uitdraai van Focus staat dat op 22 februari 2010 een bedrag van € 1.000,-- is opgevoerd onder vermelding van ‘geldlening bijzondere bijstand’. Uit de boekingen op de klantrekeningen Bijzondere Bijstand (rekeningnummer [nr.]) en Levensonderhoud (rekeningnummer [nr.]) van appellant kan niet afgeleid worden dat op 22 dan wel 23 februari 2010 daadwerkelijk een voorschot van € 1.000,-- bestemd voor levensonderhoud aan hem is uitbetaald. Blijkens e-mailberichten van 19 en 20 juli 2010 is het binnen de DWI onduidelijk of appellant het bedrag van € 1.000,-- wel gehad heeft; er is geen overdracht van, geen rapportage en geen toekenningsbesluit. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college geen bevredigende toelichting kunnen geven op de hier beschreven stukken en ook anderszins niet aannemelijk kunnen maken dat het bedrag van € 1.000,-- daadwerkelijk aan appellant is uitbetaald.

4.2. Indien het college er in zou slagen om aannemelijk te maken dat een bedrag van € 1.000,-- in februari 2010 is uitbetaald aan appellant, is het vervolgens de vraag of appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat sprake was van een onverschuldigde betaling.

4.3. In het toekenningsbesluit van 22 februari 2010 heeft het college niet het bedrag vermeld waarop appellant maandelijks recht heeft, zodat appellant geen informatie had over de hoogte van zijn recht op bijstand. In dat besluit heeft het college wel te kennen gegeven dat als een voorschot op de bijstandsuitkering is ontvangen, dit voorschot verrekend wordt met de eerste uitbetaling van deze uitkering. Uit de uitkeringsspecificatie van 20 maart 2010 blijkt niet hoe het omstreeks 26 maart 2010 aan appellant betaalde bedrag van € 1.867,05 is opgebouwd. Appellant heeft op 26 maart 2010 telefonisch bij de DWI heeft geïnformeerd waar het door hem ontvangen bedrag van € 1.867,05 betrekking op heeft. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college erkend dat tijdens dit telefoongesprek namens de DWI inderdaad, zoals appellant stelt, is medegedeeld dat het bedrag van € 1.867,05 leefgeld is. Onder deze omstandigheden had appellant niet redelijkerwijs kunnen begrijpen dat sprake was van onverschuldigd betaalde bijstand.

4.4. Uit wat hiervoor onder 4.1 en 4.3 is overwogen volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, zodat het college niet bevoegd is om het bedrag van € 1.000,-- van appellant terug te vorderen. Dit betekent dat het college ook niet bevoegd is tot verrekening met de vakantietoeslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraken I en II komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II gegrond verklaren en de besluiten van 31 januari 2011 en 25 mei 2011 herroepen.

5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de (proces)kosten van appellant in deze procedures. Deze kosten worden begroot op € 1.311,-- in bezwaar, op € 1.311,-- in beroep en op € 1.311,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken I en II;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 18 april 2011 en 28 september

2011;

- herroept de besluiten van 31 januari 2011 en 25 mei 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 1.311,--,

en in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.622,--, te betalen aan de griffier van de

Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 309,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2012.

(get.) J.M. Tason Avila.

(get.) J.N.A. Bootsma.

IJ