Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
10-4020 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Vast staat dat appellant in bezwaar alsnog de op de beoordelingsperiode betrekking hebbende bankafschriften heeft overgelegd. Het college had op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand van appellant in de periode in geding kunnen vaststellen. Het college was dan ook niet bevoegd de bijstand van appellant in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. Appellant heeft door niet tijdig de door het college gevraagde bankafschriften overgelegd en daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het college gehouden was tot het geven van een schriftelijke waarschuwing. Er is geen reden om af te zien van het opleggen van een waarschuwing. De Raad herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan appellant een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4020 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 mei 2010, 09/1088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 15 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs. 09/5914, 09/6052, 10/3670, 10/3671 en 10/3673 plaatsgevonden op 18 januari 2012. Appellant, hoewel daartoe opgeroepen, is niet verschenen. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Jalving. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in het onderhavig geding afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving met ingang van 1 september 1979 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 25 mei 2009 heeft een medewerker van het team Groningen@Work van de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen appellant opgeroepen voor een gesprek op 8 juni 2009 met als doel hem actief te begeleiden naar werk. Hierbij is appellant tevens verzocht afschriften van alle bank-, giro- en spaarrekeningen vanaf 1 mei 2009 mee te nemen.

1.3. Bij besluit van 8 juni 2009 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 8 juni 2009 opgeschort op de grond dat appellant, zonder opgave van redenen, niet is verschenen op de afspraak van 8 juni 2009. Appellant is in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Daartoe is hij uitgenodigd voor een gesprek op 15 juni 2009. Het college heeft daarbij vermeld dat, indien appellant deze afspraak niet nakomt, de bijstand zal worden ingetrokken. Tevens is appellant wederom verzocht de bij brief van 25 mei 2009 gevraagde gegevens mee te nemen.

1.4. Bij besluit van 17 juni 2009 heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken op de grond dat hij weliswaar op de afspraak van 15 juni 2009 is verschenen, maar niet de afschriften van alle bank-, giro- en spaarrekeningen vanaf 1 mei 2009 heeft willen overleggen.

1.5. Appellant heeft op 30 juli 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juni 2009 en alsnog de gevraagde bankafschriften - met uitzondering van volgnummer 10 - overgelegd.

1.6. Bij besluit van 16 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant, door de weigering de gevraagde bankafschriften te overleggen, de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan niet kon worden vastgesteld of hij (nog) recht op bijstand had.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het hem niet duidelijk was welke gegevens hij diende te verstrekken en wanneer hij deze gegevens diende te verstrekken. Tevens heeft appellant gesteld dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tussen appellant en het college bestaande conflict over deelname aan een re-integratievoorziening.

4. Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat hij, gelet op de inhoud van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften sociale zaken en werk en hetgeen door de gemachtigde van appellant ter zitting van de rechtbank is gesteld, het besluit van 17 juni 2009 zo begrijpt, dat het college in het kader van de volledige heroverweging op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de bijstand van appellant met ingang 8 juni 2009 heeft ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.2. Vast staat dat het college de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. De beoordeling van de bestuursrechter bestrijkt in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van

8 juni 2009 tot en met 17 juni 2009 (hierna: beoordelingsperiode). Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.3. Vast staat dat appellant in bezwaar alsnog de op de beoordelingsperiode betrekking hebbende bankafschriften heeft overgelegd. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat er gedurende de gehele beoordelingsperiode sprake was van een debetsaldo op de betreffende bankrekening van appellant. Dit betekent dat het college op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand van appellant in de periode in geding had kunnen vaststellen en dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 8 juni 2009 in te trekken.

4.4. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.5. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven.

4.5.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat, indien het bestreden besluit geen stand kan houden en opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2009 moet worden beslist, aan appellant met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 11, tweede lid, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen (Maatregelenverordening) een schriftelijke waarschuwing zal worden gegeven op de grond dat appellant niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn de op hem rustende inlichtingenverplichting is nagekomen.

4.5.2. Niet in geschil is dat appellant niet tijdig, dat wil zeggen voor afloop van de hersteltermijn, de door het college gevraagde bankafschriften heeft overgelegd. Aangezien het hier gaat om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening en voortzetting van bijstand, heeft appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 11, tweede lid, van de Maatregelenverordening gehouden was tot het geven van een schriftelijke waarschuwing. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden, dan wel een dringende reden die het college aanleiding hadden moeten geven af te zien van het opleggen van een waarschuwing.

4.5.3. In hetgeen onder 4.5.1. en 4.5.2. is overwogen ziet de Raad aanleiding om, teneinde tot een finale beslechting van het geschil tussen partijen te komen, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 17 juni 2009 te herroepen en te bepalen dat aan appellant een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven wegens schending van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 oktober 2009;

- herroept het besluit van 17 juni 2009;

- bepaalt dat appellant een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven wegens schending van

de inlichtingenverplichting;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht - - van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) P.J.M. Crombach.

RB