Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
10/2673 WWB + 10/4413 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Procesbelang ontbreekt. Met het hangende het hoger beroep genomen besluit heeft het college te kennen gegeven zijn oorspronkelijke ingenomen standpunt niet langer te handhaven en het besluit tot terugvordering van het aan appellant verleende voorschot algemene bijstand in te trekken. Hiermee wordt geheel aan de beroepsgronden van appellant tegemoet gekomen. Geen sprake van een verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2673 WWB

10/4413 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2010, 09/5593 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 15 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Til, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 april 2012 waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het college van appellant een op 17 juni 2009 aan hem op grond van artikel 52 van de Wet werk en bijstand (WWB) uitbetaald voorschot algemene bijstand van € 400,-- teruggevorderd, op de grond dat appellant geen recht op bijstand heeft.

1.2. Bij besluit van 30 november 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2009 wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. Hangende hoger beroep heeft het college bij besluit van 21 juli 2010 het bestreden besluit herzien, het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2009 alsnog kennelijk gegrond verklaard en het besluit van 8 juli 2009 ingetrokken. De besluitvorming berust op de overweging dat aan appellant alsnog met ingang van 25 mei 2009 bijstand is verleend.

4.1. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met het besluit van 21 juli 2010 heeft het college te kennen gegeven zijn oorspronkelijke ingenomen standpunt niet langer te handhaven en het besluit tot terugvordering van het aan appellant verleende voorschot algemene bijstand in te trekken. Hiermee wordt geheel aan de beroepsgronden van appellant tegemoet gekomen.

5.2. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (CRvB 19 maart 2010, LJN BL8089), komt in zo’n geval het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in principe te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

5.3. Nu een dergelijk verzoek niet is gedaan, is appellants procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit komen te vervallen. Daaraan doet, anders dan appellant stelt, niet af dat het procesbelang ten tijde van het instellen van het hoger beroep nog wel bestond. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5.4. Nu er geen sprake is van bijzondere omstandigheden volgt uit 5.1 dat het college moet worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. De Raad kan het college niet volgen in de stelling dat het verzoek van appellant om het college te veroordelen in de proceskosten moet worden afgewezen omdat de intrekking van het besluit van 8 juli 2009 onverlet laat dat sprake was van overschrijding van de bezwaartermijn. Wegens het ontbreken van procesbelang bij appellant komt de Raad immers niet toe aan de beoordeling van de vraag of er sprake is van een overschrijding van de bezwaartermijn.

6. De Raad zal het college veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD