Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
10-5015 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts heeft op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5015 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 augustus 2010, 09/2222 (aangevallen uitspraak),

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij Das Rechtsbijstand N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die via een uitzendbureau van 26 augustus 2008 tot 2 september 2009 gedurende 22,5 uur per week werkzaam was als medewerkster klantenservice glasvezel, heeft zich op 2 september 2009 ziek gemeld in verband met rugklachten en pijn in haar benen. Aan appellante is per 4 september 2009 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Appellante is op 20 oktober 2009 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts A.J. Brenkman. Deze arts heeft appellante onderzocht en informatie uit het dossier bij zijn beoordeling betrokken. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts appellante per 28 oktober 2009 geschikt geacht voor het eigen werk. Op basis van de conclusie van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2009 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 28 oktober 2009 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 24 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts M. Bakker van 24 november 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts over de medische situatie van appellante per 28 oktober 2009 en over de hersteldverklaring per die datum. De rechtbank achtte het daarbij van belang dat sprake is geweest van voldoende medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts en dat de informatie van de huisarts en de behandelende sector is meegewogen, alsmede dat door appellante geen nadere medische objectiveerbare gegevens in het geding zijn gebracht waaruit blijkt dat het Uwv haar lichamelijke en psychische beperkingen heeft onderschat.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat met haar beperkingen onvoldoende rekening is gehouden en dat zij met name door haar rugklachten en beenklachten niet tot het verrichten van haar arbeid in staat is. De functie van verkoopster gaat volgens haar de belastbaarheid te boven, omdat het voor haar onmogelijk is (langdurig) in dezelfde houding te blijven en ook haar concentratie beperkt is.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellante uitgevallen is vanuit haar werk als verkoopmedewerkster bij een servicewinkel, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Omtrent de aard en zwaarte van die werkzaamheden bestaat voldoende duidelijkheid.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Bakker in het kader van de beoordeling van appellantes aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2009 heeft zij dossierstudie verricht, heeft zij appellant onderzocht tijdens het spreekuur op 18 november 2009 en heeft zij de verkregen informatie van de huisarts, de orthopedisch chirurg en de neurologen bij haar beoordeling meegewogen. De lichamelijke klachten van appellante worden op de datum in geding nagenoeg ongewijzigd geacht in vergelijking met de periode voor de ziekmelding en bij aanvang verzekering. De claim van appellante dat zij ook psychische beperkingen heeft, blijkt niet uit het onderzoek. Er is geen sprake van een depressie en appellante is hiervoor ook niet onder behandeling. Met betrekking tot de maatstaf arbeid heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat dit lichamelijk en psychisch een lichte functie is, die bovendien parttime is. Daarbij zijn er voldoende mogelijkheden om van houding te wisselen en kon het werk deels naar eigen inzicht worden ingedeeld. Appellante heeft dit werk een jaar lang kunnen doen zonder klachten. Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellante per 28 oktober 2009 geschikt werd geacht voor haar arbeid. Nu geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, kan hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leiden.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) K.E. Haan.

JL