Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
11-4906 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering. Het medisch onderzoek door het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geschikt was om zijn arbeid te verrichten. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens geven geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4906 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 juni 2011, 11/683 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 16 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011, waar appellant is verschenen en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen de bezwaarverzekeringsarts te laten reageren op de brief van dr. A. de Louw, werkzaam als neuroloog bij epilepsiecentrum Kempenhaeghe, van 22 december 2011. Daarnaast is het Uwv in de gelegenheid gesteld de brief van dr. A.E. Boon, neuroloog, van 7 september 2011 voor reactie aan de bezwaarverzekeringsarts voor te leggen.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op elkaars standpunten te reageren.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk vanaf 1 september 2009, op basis van een jaarcontract, werkzaam als docent economie toen hij per 3 februari 2010 uitviel wegens rugklachten. Later zijn hier als gevolg van een verstoorde arbeidsverhouding spanningsklachten bij gekomen. Appellant heeft per 30 augustus 2010 voor 8 uur per week (verdeeld over twee dagen) zijn werkzaamheden als docent hervat bij een andere werkgever, een particuliere [naam werkgever] te [vestigingsplaats].

1.2. Appellant is op 14 december 2010 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts A.H. Hasan. Het door deze verzekeringsarts verrichte onderzoek heeft tot de conclusie geleid dat appellant per 20 december 2010, ondanks zijn klachtenpatroon, volledig hersteld werd geacht voor het eigen werk. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2010 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 20 december 2010 geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn werk en indien appellant per deze datum toch ongeschikt is om te werken, dit niet het gevolg is van ziekte (of gebrek) in de zin van de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 14 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2010, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden van 12 januari 2011, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft om te oordelen dat de conclusie van het Uwv gebaseerd is op een onjuist, onvolledig of onzorgvuldig onderzoek. Daarbij heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de nog bij appellant aanwezige rugklachten niet leiden tot fysieke beperkingen en er evenmin reden is voor het aannemen van psychische beperkingen in twijfel te trekken. De door appellant overgelegde brief van klinisch neuropsycholoog dr. E.J.T. Matser van 13 mei 2011 maakt dit volgens de rechtbank niet anders nu deze psycholoog tot de conclusie komt dat appellant milde cognitieve stoornissen vertoont in de domeinen mentale snelheid en concentratie, welke stoornissen mogelijk veroorzaakt worden door restklachten van de epilepsiemedicatie (Depakine) die appellant sinds 1996 dagelijks gebruikt, maar waarmee appellant ook altijd gewerkt heeft. Het enkele feit dat appellant na de datum in geding voor specialistisch onderzoek is doorwezen naar een neuroloog geeft de rechtbank evenmin aanleiding om aan te nemen dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Mitsdien is de ZW-uitkering per genoemde datum terecht beƫindigd.

3. In hoger beroep heeft appellant -samengevat- aangevoerd dat de werkelijke oorzaak van zijn klachten gelegen is in de ernstige epilepsie en de bijwerkingen van de medicatie (tweemaal per dag 1000 mg Depakine). Dit is door het Uwv ten onrechte niet onderkend. Voorts acht appellant het onzorgvuldig dat de rechtbank de onderzoeksresultaten van neuroloog Boon niet heeft afgewacht. Appellant is in het kader van een latere ziekmelding, te weten per 4 augustus 2011, op basis van de bevindingen van verzekeringarts S. Farid en in afwachting van de informatie van neuroloog Boon, geaccepteerd in het kader van de ZW. Appellant verzoekt de Raad neuroloog Boon als getuige te horen of een deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn vermoeidheidsklachten heeft appellant in hoger beroep nog een brief van neuroloog A. de Louw overgelegd.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld.

4.2. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij appellant een anamnese afgenomen, waarbij tevens het dagverhaal van appellant is besproken. Daarnaast is appellant psychisch onderzocht en heeft de bezwaarverzekeringsarts bij de beoordeling van appellants geschiktheid voor het eigen werk het medicatiegebruik van appellant meegewogen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts zowel in beroep als in hoger beroep gereageerd op nader door appellant overgelegde medische informatie.

4.3. De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant op 20 december 2010 geschikt was om zijn arbeid te verrichten. De Raad onderschrijft de door de rechtbank in haar uitspraak geformuleerde overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt aan deze overwegingen nog het volgende toe. Appellant is in februari 2010 uitgevallen wegens psychische klachten vanwege overspannenheid. Tijdens het psychisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zijn psychische klachten aanwezig, maar is geen sprake van aantoonbare psychopathologie. De ten tijde van het onderzoek van deze arts door appellant ervaren spanningsklachten vallen naar het oordeel van deze arts binnen de normale range van een te forse belasting en zijn niet te duiden als ziekte of gebrek met relevante beperkingen als gevolg daarvan. In beroep noch in hoger beroep zijn namens appellant medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat appellant vanwege zijn resterende psychische klachten dusdanig beperkt is dat hij om die reden, op de datum in geding, niet in staat was zijn arbeid te verrichten.

4.4. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens van neuroloog Boon en neuroloog De Louw zijn geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals verwoord in haar rapport van 24 januari 2012, onjuist te achten. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat uit de in het dossier aanwezige medische gegevens van rond de datum in geding, te weten het rapport van de verzekeringsarts van 14 december 2010 en de bezwaarverzekeringsarts van 12 januari 2011, niet blijkt van geclaimde extreme vermoeidheid of van een verhoogde slaapbehoefte overdag. Voorts is er, zo blijkt eveneens uit de eerder genoemde medische gegevens, tot op heden geen medisch objectiveerbare oorzaak voor appellants extreme vermoeidheidsklachten vastgesteld.

4.5. Een eventuele verslechtering van appellants gezondheidssituatie na de datum in geding kan, in het kader van de behandeling van het onderhavige hoger beroep, niet worden meegewogen.

5. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

JL