Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
10-2563 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een ZW-uitkering. Geschikt voor eigen werk. Nu het Uwv in beroep zijn standpunt niet heeft gehandhaafd dat de laatstelijk in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies als maatstaf arbeid dienen te worden aangemerkt, heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit vernietigd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld dient de functie van operator als maatstaf arbeid te worden aangemerkt. Uit onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige bij de werkgever zijn voldoende inlichtingen verkregen over de aard en de zwaarte van de door appellant uitgevoerde werkzaamheden. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn maatstaf arbeid. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en de overgelegde medische stukken geven geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2563 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2010, 09/3803 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. Benard, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv vragen beantwoord, waarop appellant reacties heeft ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Benard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 12 februari 2006 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als procesoperator. Met ingang van 10 februari 2008 is aan appellant meegedeeld dat hij, in aansluiting op de wachttijd van 104 weken, geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij in staat werd geacht functies te vervullen zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit.

1.2. Op 14 mei 2009 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens nek- en schouderklachten, uitstralend naar de linkerhand. Voordien had appellant in de loop van 2008 en ook nog enkele dagen in 2009 via uitzendbureau’s gewerkt, laatstelijk als productiemedewerker bij [werkgever].

1.3. Appellant is op 2 september 2009 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts T. Urcun, die appellant op basis van eigen onderzoek per 7 september 2009 geschikt achtte voor de laatstelijk in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis van deze medische rapportage heeft het Uwv bij besluit van 2 september 2009 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 7 september 2009 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.4. Bij besluit van 1 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 30 september 2009, ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, daarbij overwegende dat overeenkomstig het nadere standpunt van partijen ten onrechte als maatstaf arbeid zijn gehanteerd de functies die appellant bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA zijn voorgehouden en niet het laatstelijk verrichte werk. Het Uwv heeft daarom alsnog het werk als productiemedewerker als maatstaf arbeid aangemerkt.

2.2. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en daarbij met name betekenis toegekend aan de rapporten van 30 november 2009, 16 december 2009 en 15 februari 2010 van de bezwaarverzekeringsartsen Van Geest en F.C. Swaan, die hebben geconcludeerd dat er geen duidelijke verklaring is gevonden voor de klachten van appellant en dat er, behoudens lichte degeneratieve afwijkingen/slijtage in de nek, geen afwijkingen zijn gevonden. Gelet op deze rapporten alsmede de overige gedingstukken kon naar het oordeel van de rechtbank het onderzoek de conclusie dragen, dat de belasting in de functie productiemedewerker de beperkingen van appellant niet te boven gaat en dat hij op en na 7 september 2009 in staat was deze arbeid te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Hij acht zich in verband met zijn vinger- en duimklachten en zijn angstproblemen niet in staat om zijn laatste functie (als productiemedewerker) te verrichten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Als betrokkene na een afschatting - op basis van de geschiktheid voor de maatgevende arbeid dan wel voor geselecteerde functies - in enig werk hervat dan geldt in beginsel de hoofdregel dat dit laatst verrichte werk als maatstaf arbeid geldt, behoudens uitzonderingen zoals bijvoorbeeld in het geval betrokkene heeft hervat in werk dat ongeschikt voor hem is.

4.2. Nu het Uwv in beroep zijn standpunt niet heeft gehandhaafd dat de laatstelijk in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies als maatstaf arbeid dienen te worden aangemerkt, heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit vernietigd. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat niet de functie van productiemedewerker bij [werkgever] als maatstaf arbeid dient te worden aangemerkt, nu uit nader onderzoek door het Uwv is gebleken dat appellant deze functie slechts gedurende twee dagen heeft uitgeoefend en hiervoor wegens ongeschiktheid weer is uitgevallen. Gelet hierop is deze functie ten onrechte als maatstaf arbeid aangemerkt. Nu appellant in een daaraan voorafgaande periode van

24 november 2008 tot en met 2 december 2008 via een uitzendbureau heeft gewerkt in een functie bij Unilever, dient deze functie als maatstaf arbeid te worden aangemerkt. Uit onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige bij deze werkgever zijn naar het oordeel van de Raad voldoende inlichtingen verkregen over de aard en de zwaarte van de door appellant uitgevoerde werkzaamheden. Dat appellant deze functie niet benoemt als operator, maar als pilot plant technogist, doet aan de omschrijving van de belasting in de uitgevoerde werkzaamheden niet af.

4.3. Uitgaande van deze maatstaf arbeid zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn maatstaf arbeid. Op basis van dossierstudie, verkregen medische informatie en eigen onderzoek is gebleken dat er geen duidelijke verklaringen zijn gevonden voor de klachten van appellant nu er, behalve slijtage in de nek geen afwijkingen zijn gevonden. Naar aanleiding van de werkomschrijving van de maatstaf arbeid door de bezwaararbeidsdeskundige heeft de bezwaarverzekeringsarts in een aanvullende rapportage van 29 september 2011 aangegeven dat het werk in het bijzonder geen specifiek zware belastingen voor de handen bevat en in het algemeen evenmin wat betreft de overige fysieke belastingen. Het werk wordt medisch gezien dan ook geschikt geacht voor appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en de overgelegde medische stukken geven de Raad geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. Gelet hierop is appellant terecht met ingang van 7 september 2009 in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) K.E. Haan.

JL