Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
11-4605 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage ZVW is op goede gronden opgelegd. Verdragsgerechtigde, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk. Woonlandfactor. Dubbele betaling voor de kosten voor zorg. Het feit dat de zorgverstrekking in het Verenigd Koninkrijk wordt gefinancierd via de algemene middelen, zodat appellant als belastingplichtige daaraan heeft bijgedragen, is een interne zaak van het Verenigd Koninkrijk, die niet tot de conclusie kan leiden dat Cvz door een bijdrage te heffen het recht van appellant om vrij op het grondgebied van de Lidstaten te reizen en te verblijven schendt. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit artikel 33, tweede lid, van Vo 1408/71 voortvloeit dat voor zover er sprake is van dubbele premieheffing of soortgelijke inhoudingen, deze in het woonland niet invorderbaar zijn. De Raad heeft in zijn uitspraak van 26 augustus 2009, LJN BJ6362 geoordeeld dat bij de toepassing van de woonlandfactor geen sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen zoals appellant en in Nederland woonachtige premieplichtigen. Dat appellant sedert de inwerkingtreding van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 per 1 mei 2010 ook zonder toestemming van het orgaan van het woonland (AWBZ-)zorg in Nederland kan inroepen, is eerder een vergemakkelijking dan een beperking van het vrij verkeer van burgers binnen de Europese Unie. De stelling van appellant dat hij door de inhouding van de bijdrage AWBZ wordt belemmerd in zijn vrije verkeer volgt de Raad derhalve niet. De Raad is ook overigens in het onderhavige geding niet gebleken van een vorm van ongelijke behandeling van appellant door Cvz welke onverenigbaar zou zijn met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4605 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2011, 08/4500 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College voor zorgverzekeringen (Cvz).

Datum uitspraak: 11 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is daarbij in persoon verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Siemeling en mr. C.P. Kootstra.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren [in] 1933 en woont sinds 1995 in het Verenigd Koninkrijk. Vanaf maart 1998 ontvangt appellant een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een ABP-pensioen. Appellant ontvangt uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen.

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw bij brief van december 2005 als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland, ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op het pensioen van appellant. Hierbij is een zogenoemde woonlandfactor toegepast. Appellant heeft zich met een E 121-formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Appellant heeft tegen de brief van december 2005 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is - na eerst niet-ontvankelijk te zijn verklaard - bij besluit van 29 oktober 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij in het Verenigd Koninkrijk als ingezetene van rechtswege verzekerd is voor ziektekosten bij de National Health Service. Voor deze kosten van zorg betaalt hij al via de belastingen in het Verenigd Koninkrijk. Door de inhouding van een bijdrage op zijn AOW-pensioen en ABP-pensioen betaalt hij derhalve nogmaals voor dezelfde zorg, hetgeen een ongerechtvaardigd verschil in behandeling met zich meebrengt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. Hij heeft daartoe verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09), (www.curia.europa.eu). Voorts stelt appellant dat de bijdrage AWBZ die wordt ingehouden op zijn pensioen, terwijl hij alleen in Nederland van de AWBZ-zorg gebruik kan maken, hem belemmert in zijn vrij verkeer en dat hij daardoor gediscrimineerd wordt. Ten slotte heeft appellant schadevergoeding gevraagd voor de door hem geleden psychische schade.

3.2. Cvz heeft de stellingen van appellant weersproken.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn prejudiciƫle vraagstelling aan het Hof van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) en naar het hiervoor genoemde arrest van het Hof van 14 oktober 2010.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant alleen uit Nederland een wettelijk pensioen ontvangt en daardoor ingevolge artikel 28bis van Vo 1408/71 recht heeft op zorg in zijn woonland ten laste van Nederland. Dit betekent dat Nederland als pensioenland ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 een bijdrage mag inhouden op het pensioen van appellant. De Raad verwijst hiervoor tevens naar het genoemde arrest Van Delft e.a. van 14 oktober 2010, waarin het Hof de inhouding van die bijdrage op zichzelf niet in strijd heeft geacht met het vrij verkeer van burgers van de Europese Unie. De door het Hof in dat arrest bedoelde mogelijke discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen had betrekking op het overgangsrecht voor niet-ingezetenen die op 31 december 2005 een particuliere verzekering hadden bij een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. De Raad is niet gebleken dat dit overgangsrecht op appellant van toepassing was, nog daargelaten dat de Raad, na onderzoek, in zijn uitspraak van onder meer 13 december 2011, LJN BU7125 heeft geoordeeld dat van een dergelijk ongerechtvaardigd verschil in behandeling geen sprake is geweest en daarmee evenmin van een beperking van het vrije verkeer van burgers van de Europese Unie.

4.4. Wat betreft de door appellant gesignaleerde dubbele betaling voor de kosten voor zorg, stelt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraken van 7 september 2011, LJN BT1941 en LJN BT2319, vast dat uit punt 101 van het hiervoor genoemde arrest van 14 oktober 2010 volgt dat een nationale wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid als de Zvw blijft stroken met artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) inzake het vrij verkeer van burgers van de Unie, mits zij er niet zonder meer toe leidt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval van laatstgenoemde situatie geen sprake. Artikel 28bis van Vo 1408/71 strekt er immers mede toe benadeling te voorkomen van lidstaten die, ten aanzien van de zorgverzekering, een ingezetenenstelsel hanteren. De op basis van artikel 28bis van Vo 1408/71 in het Verenigd Koninkrijk aan appellant verstrekte zorg komt daarom ten laste van Nederland. Op grond van artikel 33 van Vo 1408/71 is Nederland vervolgens bevoegd om een bijdrage te heffen. Het feit dat de zorgverstrekking in het Verenigd Koninkrijk wordt gefinancierd via de algemene middelen, zodat appellant als belastingplichtige daaraan heeft bijgedragen, is een interne zaak van het Verenigd Koninkrijk, die niet tot de conclusie kan leiden dat Cvz door een bijdrage te heffen het recht van appellant om vrij op het grondgebied van de Lidstaten te reizen en te verblijven schendt. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit artikel 33, tweede lid, van Vo 1408/71 voortvloeit dat voor zover er sprake is van dubbele premieheffing of soortgelijke inhoudingen, deze in het woonland niet invorderbaar zijn.

4.5. Wat betreft de inhouding van de zogenoemde bijdrage AWBZ op het pensioen van appellant merkt de Raad op dat het anders dan bij Nederlands ingezetenen niet gaat om een premie voor de verplichte verzekering voor de AWBZ in Nederland, maar om een component om de totale bijdrage voor de zorg in het woonland te berekenen. De hoogte van de totale bijdrage Zvw is vervolgens gerelateerd aan de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. Dit is de zogenoemde woonlandfactor. Met deze woonlandfactor wordt tot uitdrukking gebracht in welke mate de in het woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. De Raad heeft in zijn uitspraak van 26 augustus 2009, LJN BJ6362 geoordeeld dat bij de toepassing van de woonlandfactor geen sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen zoals appellant en in Nederland woonachtige premieplichtigen. Dat appellant sedert de inwerkingtreding van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 per 1 mei 2010 ook zonder toestemming van het orgaan van het woonland (AWBZ-)zorg in Nederland kan inroepen, is eerder een vergemakkelijking dan een beperking van het vrij verkeer van burgers binnen de Europese Unie.

De stelling van appellant dat hij door de inhouding van de bijdrage AWBZ wordt belemmerd in zijn vrije verkeer volgt de Raad derhalve niet.

4.6. De Raad is ook overigens in het onderhavige geding niet gebleken van een vorm van ongelijke behandeling van appellant door Cvz welke onverenigbaar zou zijn met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht.

4.7. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een schadevergoeding toe te wijzen.

5. De Raad ziet voorts geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) H.L. Schoor.

JL