Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
10-3768 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Vaststelling re-integratievisie. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. De ingebrachte stukken geven geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding heeft overschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid is er geen aanleiding om de in aanmerking genomen functies niet in medisch opzicht geschikt te achten voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3768 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ? s-Hertogenbosch van 21 mei 2010, 08/3021 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ( Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Spooren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spooren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk voltijds werkzaam als monteur kunststof industrie, is voor dit werk op 19 juni 2000 uitgevallen in verband met lage rugklachten met wisselende uitstraling in het rechterbeen, nek- en linker schouderklachten en linker hand- en armklachten als gevolg van een CTS. Aan appellant is vanwege deze klachten per einde wachttijd met ingang van 18 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een eenmalige herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De uitkomst van deze herbeoordeling heeft geleid tot het besluit van 13 december 2007 waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 februari 2008 heeft ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 15% was. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het Uwv een re-integratievisie vastgesteld.

1.3. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Op 20 maart 2008 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens gelet op de bevindingen van de hoorzitting en de beschikbare medische gegevens, zijnde de gevolgen van een galblaasoperatie en de diabetes mellitus bij appellant, gemotiveerd aangegeven op welke items de beperkingen van appellant in een FML van 21 april 2008 zijn aangescherpt. Gelet op de aanscherping van de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 2 juni 2008 geconcludeerd dat er onvoldoende functies resteerden om daarop de schatting per 13 februari 2008 te handhaven. Vervolgens heeft hij nieuwe functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 7,08%. In overeenstemming hiermee is bij beslissing van bezwaar van 1 augustus 2008, het bestreden besluit, het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2007 gegrond verklaard. Hierbij is appellante ingaande 13 februari 2008 onveranderd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% en is haar WAO-uitkering met ingang van

3 augustus 2008 alsnog ingetrokken. Het bezwaar tegen de reintegratie-visie is bij besluit van gelijke datum ongegrond verklaard.

2.1. In beroep tegen het bestreden besluit is, naast een herhaling van de gronden van bezwaar, aangevoerd dat de psychische klachten van appellant zijn onderschat aangezien hij lijdt aan PTSS. Deze diagnose is in november 2008 gesteld en appellant heeft daartoe een notitie Intake Psychotraumacentrum ZN van 25 november 2008 in het geding gebracht alsmede brieven van 12 januari 2009, 14 april 2009, en 10 maart 2010 van de Reinier van ArkelGroep. Appellant acht zich gelet op zijn klachten niet in staat de geduide functies te vervullen. Bij rapporten van 1 december 2008, 30 januari 2009, 21 april 2009 en 28 mei 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts op de overgelegde informatie gereageerd en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische beoordeling van het Uwv volledig en voldoende zorgvuldig geacht. Met name heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsartsen over de psychische belastbaarheid van appellant. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd. In het bijzonder houdt hij staande dat het Uwv zijn psychische klachten als gevolg van (verlate) PTSS en de hieruit voortvloeiende beperkingen ernstig heeft onderschat. Reeds in bezwaar stelt appellant te hebben aangegeven dat hij naast een veelheid aan (deels onverklaarbare) lichamelijke klachten, ook psychische klachten had, zich uitend in concentratiestoornissen. Appellant acht zichzelf hierdoor niet in staat om arbeid te verrichten. Appellant wijst er op dat zijn huisarts hem, mede gelet op zijn onverklaarbare klachten, al in april 2008, in de bezwaarfase, heeft doorgezonden naar het psychotraumacentrum Reinier van Arkel Groep op verdenking van PTSS. In november 2008 is door de Reinier van Arkel Groep deze diagnose gesteld waarna eerst op 14 april 2009, vanwege een wachtlijst, een intensief behandelingstraject door de A.P.J. Moyene-Jansen, psycholoog, is gestart. Waarbij aangevend dat dergelijke psychische klachten niet van het ene op het andere moment ontstaan, stelt appellant zich op standpunt dat hij reeds in de bezwaarfase, maar in ieder geval op de datum in geding, 3 augustus 2008, objectiveerbare psychische klachten had, onder andere zich uitend in concentratiestoornissen vanwege de stress en pijn die hij ervaart door zijn lichamelijke klachten. Ten onrechte zijn hiervoor geen beperkingen aangenomen in de FML van 21 april 2008. Ter zitting is nog namens appellant aangegeven dat daags voor de zitting, appellant in het bezit is gekomen van een brief van 5 juli 2005 van Revalidatiecentrum De Tolbrug gericht aan de huisarts. In deze brief zou een revalidatiearts de huisarts reeds in juli 2005 in overweging hebben gegeven om appellant met betrekking tot zijn klachten naar een psychiater te sturen. Dit is echter pas in april 2008 gebeurd.

Concluderend is namens appellant gesteld dat gezien de ernst van de klachten en in aanmerking gekomen dat, zoals door de psycholoog Moyene is aangegeven in haar brief van 10 maart 2010, dat appellant zijn ziekte niet “etaleert”, nadere informatie had moeten worden ingewonnen door de bezwaarverzekeringsarts. Nu dit niet gebeurd is het medisch onderzoek onzorgvuldig. Tot slot is aangegeven dat het Uwv bij besluit van 11 februari 2011 appellant met terugwerkende kracht vanaf 10 november 2009 in aanmerking heeft gebracht voor een WAO-uitkering omdat sprake is van klachten uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan appellant eerder een WAO-uitkering ontving.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Zoals ter zitting desgevraagd door de gemachtigde van appellant is erkend, spitst het onderhavig geschil zich toe op de psychische belastbaarheid op de datum in geding,

3 augustus 2008.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsarts tijdens het spreekuur van 19 juni 2007 een anamnese heeft afgenomen, de medische rapportages vanaf april 2001 heeft bestudeerd en appellant lichamelijk heeft onderzocht naar aanleiding van de claimklachten. Ook heeft de verzekeringsarts een psychisch onderzoek verricht en heeft hij daarbij geconstateerd dat het bewustzijn helder was en oriëntatie in tijd, plaats en persoon ongestoord was. Appellant heeft zich tijdens het gesprek voldoende kunnen concentreren en de aandacht kunnen vasthouden. Het korte en lange termijn geheugen functioneerde adequaat. De stemming vertoonde een normofoor beeld zonder dysthyme component. Er zijn geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek geconstateerd. De in bezwaar aangegeven slaapproblemen, vergeetachtigheid, spanningshoofdpijn en concentratiestoornissen zijn blijkens het rapport van 17 april 2008 uitdrukkelijk door de bezwaarverzekeringsarts heroverwogen maar hebben geen aanleiding gegeven de FML hierop aan te scherpen. Op de eerst in beroep overgelegde stukken aangaande de psychische klachten, hebben de bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv nader gereageerd. Met name bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman is in zijn rapport van

30 januari 2009 ingegaan op de vraag waarom er naar aanleiding van de in beroep overgelegde stukken inzake de in bezwaar aangegeven klachten, geen aanleiding was tot het aannemen van beperkingen op de datum in geding. De Raad onderschrijft het standpunt in dit rapport en ziet gelet op de in het dossier aanwezige medische gegevens, geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, zoals vastgesteld in de FML van 21 april 2008, heeft overschat. Ook de latere toekenning van de WAO-uitkering per 10 november 2009, maakt dit niet anders, aangezien de uitval die aan deze uitkering ten grondslag ligt, niet ziet op de datum in geding. De Raad verwijst naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 21 maart 2010.

4.3. De Raad heeft ten slotte, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen aanleiding om de in aanmerking genomen functies niet in medisch opzicht geschikt te achten voor appellant.

4.4. Uit het overwogene onder 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende,

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en D.J van der Vos als leden in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL