Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
10-6656 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellant met zijn lichamelijke en psychische beperkingen in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als rayonmanager te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6656 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 november 2010, 10/5037 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hulsbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam geweest als full time rayonmanager bij [naam werkgeefster] Vanuit de situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet kreeg, heeft appellant zich op 11 december 2009 ziek gemeld vanwege stress gerelateerde klachten. Appellant heeft meerdere keren het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. In dat kader is door de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelende sector. Op het laatste spreekuur is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 2 juni 2010 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 2 juni 2010 is de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van diezelfde datum beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 juli 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 1 juli 2010 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven en daarbij in aanmerking genomen dat uit de verstrekte informatie van de behandelende psychiater blijkt dat de door appellant gebruikte medicijnen prima samengaan en tussen de verschillende medicijnen nauwelijks sprake is van interactie. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de enkele waarschuwing op een bijsluiter niet betekent dat de bijwerking zich daadwerkelijk op de datum hier in geding heeft voorgedaan en dat het appellant overigens door zijn huisarts of zijn psycholoog niet is ontraden om in een auto aan het verkeer deel te nemen.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de uitspraak betwist. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de verschillende psychiaters geen eensluidende verklaring geven inzake de interactie tussen de door hem gebruikte medicijnen. Om die reden heeft appellant om nader onafhankelijk onderzoek verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts had naast de bevindingen van het eigen onderzoek ook de beschikking over informatie van de behandelende psychiater en de huisarts. Bovendien heeft de bezwaararbeidsdeskundige onderzoek verricht naar de werkzaamheden van appellant. Uit het rapport van 30 juni 2010 komt naar voren dat appellant zich uitsluitend bezig hield met begeleidende taken en instructie en hij tien tot twaalf schoonmakers begeleidde. In de functie van appellant is autorijden wel noodzakelijk. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige gegevens, waaronder van de behandelend sector en voormeld arbeidskundig onderzoek, heeft de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden geconcludeerd dat appellant met zijn lichamelijke en psychische beperkingen in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als rayonmanager te hervatten. Naar aanleiding van de door appellant in beroep ingebrachte brieven van de Parnassia Bavo Groep van 2 juli 2010 en de psychiater van 23 september 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapporten van 26 juli 2010 en 27 september 2010 gemotiveerd aangegeven geen aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep een rapport ingebracht van de psychiater bij wie hij sedert 6 oktober 2010 in behandeling is. De Raad stelt vast dat deze psychiater in dit rapport nadrukkelijk vermeldt dat hij geen uitspraak kan doen over de hier in geding zijnde datum. Dit geldt ook ten aanzien van de mogelijke bijwerkingen en interacties van de medicijnen en het beïnvloeden van de rijvaardigheid. Volgens de behandelende psychiater dient appellant deze informatie te halen bij zijn behandelaar op de datum hier in geding. Er is dan ook geen reden om nader onafhankelijk medisch onderzoek te laten verrichten.

5. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 2 juni 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. Boer.

TM