Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
11/4256 WWB + 11/4285 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. De gemachtigde van het college heeft ter zitting erkend dat, rekening houdende met de omstandigheid dat appellanten ten tijde van de aanvraag evenals in de periode waarin een gezamenlijke huishouding is aangenomen beschikten over een eigen woning, onvoldoende onderzoek is gedaan naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellanten ten tijde van de aanvraag. Geen zorgvuldige voorbereiding en geen deugdelijke (feitelijke) grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4256 WWB

11/4285 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 juni 2011, 10/324 en 10/325 (aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

Datum uitspraak: 8 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Bauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellante heeft mr. K.E. Wielenga, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft met de gevoegde zaken 11/4069 WWB en 11/4309 WWB plaatsgevonden op 27 maart 2012. Voor appellant is verschenen mr. Bauer. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wielenga. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. de Jong. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving vanaf 1983 bijstand en stond vanaf oktober 2002 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Tot 1 januari 2009 ontving appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante ontving vanaf 1993 bijstand en stond vanaf oktober 2002 ingeschreven in de GBA op het adres [adres 2] te [plaatsnaam]. Tot 1 januari 2009 ontving appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de WWB.

1.3. Bij besluiten van 13 februari 2009 en 16 februari 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2009, heeft het college de aan appellanten verleende bijstand over de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 december 2008 herzien en teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten in deze periode een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellante. Bij uitspraak van heden in de gedingen 11/4069 WWB en 11/4309 WWB is dit besluit op bezwaar in stand gebleven.

1.4. Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college aan appellanten met ingang van 1 januari 2009 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellanten (ook) na 1 januari 2009 een gezamenlijke huishouding voeren op het adres van appellante. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5. Op 11 juni 2009 hebben appellanten een aanvraag ingediend om elk van beiden in aanmerking te komen voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande (appellant) en naar de vorm voor een alleenstaande ouder (appellante), omdat zij geen gezamenlijke huishouding voeren. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college de woon- en leefsituatie van appellanten onderzocht. In dat kader hebben huisbezoeken op het adres van appellante en op het adres van appellant plaatsgevonden en hebben appellanten een verklaring afgelegd. Hiervan is verslag gedaan in het rapport van 24 juli 2009. Het college heeft vervolgens bij besluit van 9 september 2009 de aanvraag afgewezen omdat appellanten geen gewijzigde omstandigheden hebben aangetoond.

1.6. Bij besluit van 14 januari 2010 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van

9 september 2009 ongegrond verklaard.

1.7. Bij afzonderlijk besluit van 14 januari 2010 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat appellanten er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat er gewijzigde omstandigheden zijn zodat appellanten niet in aanmerking komen voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten voeren aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voeren, maar dat zij ieder een eigen huishouding in hun eigen woning voeren, zodat zij ingevolge de WWB als alleenstaande (ouder) moeten worden aangemerkt. Gegeven de omstandigheid dat appellanten in de periode waarin een gezamenlijke huishouding is aangenomen, nadien en ten tijde van de aanvraag ieder een woning hadden en op verschillende adressen stonden ingeschreven in de GBA, is het problematisch om gewijzigde omstandigheden aan te tonen. Mede in dit licht bezien, is het onderzoek door het college naar de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag onvoldoende geweest. Tot slot is aangevoerd dat de verslaglegging van de huisbezoeken en de door appellanten afgelegde verklaringen onvolledig en eenzijdig is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken en een aanvraag wordt gedaan die is gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 19 juli 2011, LJN BR2972), kan het bestuursorgaan, als een betrokkene een nieuwe aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande (ouder) indient nadat de bijstand eerder is beëindigd, herzien of ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en betrokkene - al dan niet onder aanwending van rechtsmiddelen tegen die beëindiging, herziening of intrekking - volhoudt dat er geen gezamenlijke huishouding is (geweest), als regel niet volstaan met het louter stellen van de vraag “of de situatie is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de beëindiging of intrekking van de bijstand”, omdat het antwoord op die vraag afhankelijk is van welk vertrekpunt men daarbij neemt. Meer precies zou de vraag in een zaak als deze - waarin ten tijde van de aanvraag nog een procedure liep tegen de herziening en terugvordering van de bijstand - moeten luiden “of de situatie thans anders is dan waarvan het college ten tijde van de herziening is uitgegaan en welke feiten en omstandigheden dat standpunt ondersteunen”. Bij de aanvraag in juni 2009 hebben appellanten verklaard dat zij, anders dan zij eerder hebben verklaard, niet tot nauwelijks nog contact met elkaar hebben en niet meer samen eten en slapen. Zij voeren allebei een eigen huishouding in hun eigen woning.

4.3. De gemachtigde van het college heeft ter zitting erkend dat, rekening houdende met de omstandigheid dat appellanten ten tijde van de aanvraag evenals in de periode waarin een gezamenlijke huishouding is aangenomen beschikten over een eigen woning, onvoldoende onderzoek is gedaan naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellanten ten tijde van de aanvraag. Immers uit de uiterst summiere, en door appellanten van meet af aan betwiste, verslaglegging van de onderzoeksbevindingen valt niet op te maken of appellanten op basis van de situatie ten tijde van de aanvraag een gezamenlijke huishouding voerden, dan wel hoofdverblijf in hun eigen woning hadden. Uit die verslaglegging kan wel worden afgeleid dat appellanten bij de huisbezoeken afzonderlijk van elkaar hebben verklaard dat van een meer dan incidenteel verblijf in dezelfde woning, waarbij enkel koffie wordt gedronken, geen sprake is.

4.4. Uit 4.3 volgt dat bestreden besluiten I en II niet zorgvuldig zijn voorbereid en niet op een deugdelijke (feitelijke) grondslag berusten. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de besluiten I en II vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Een opdracht aan het college op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. Nu het college ter zitting niet heeft uitgesloten dat nog mogelijkheden bestaan om de feitelijke situatie van appellanten ten tijde van de aanvraag te onderzoeken, wordt het college opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 11 juni 2009 met inachtneming van deze uitspraak.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten.

Deze kosten worden voor appellanten, met toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang met de bijlage bij het Bpb onder C, begroot op totaal € 874,--, in beroep voor het verlenen van rechtsbijstand (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), derhalve voor elk € 437,--. Deze kosten in hoger beroep worden voor appellant begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten in hoger beroep worden voor appellante begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 14 januari 2010;

- draagt het college op nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311,--,

waarvan € 874,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.311,--,

waarvan € 874,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan elk van appellanten het door hen in beroep en in hoger

beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J. Govaers en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) V.C. Hartkamp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD