Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
11-2993 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Bezwaar tegen besluit inhoudende ontzegging van de toegang tot de werkplek, terecht niet-ontvankelijk verklaard door het college. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met het oog op finale geschilbeslechting zal de Raad het geding niet terugwijzen naar de rechtbank, maar zelf beoordelen of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend nu het college volledig tegemoet was gekomen aan het bezwaar van appellant. Dit zag immers alleen op de ontzegging van de toegang voor de OR-werkzaamheden. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat uit dat besluit dient te volgen dat het ontslag wel degelijk verband hield met de werkzaamheden voor de (C)OR, had de rechtbank, onder verwijzing naar het oordeel over de invloed van de OR-werkzaamheden op het ontslagbesluit, het beroep tegen de ontzegging van de toegang ongegrond dienen te verklaren. 2) Ontslag wegens incompatibiliteit. Genoegzaam is komen vast te staan dat de verhoudingen met appellant ernstig waren verstoord en dat handhaving van appellant niet mogelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2993 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2011, 10/385 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 10 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.R.J. Dayala, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. Siemons, advocaat, P.O Pruyt en A. Willebrands.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 juli 1985 werkzaam bij de gemeente Amsterdam, laatstelijk als sportconsulent bij de afdeling Sport van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO). Daarnaast was hij lid van de Ondernemingsraad (OR) en de Centrale Ondernemingsraad (COR). Eind 2006 heeft appellant een conflict gekregen met collega D, die primair verantwoordelijk was voor een project waarop appellant ook werkzaam was. Naar aanleiding daarvan heeft een gesprek plaatsgehad. Daaruit is naar voren gekomen dat er geen werkbare verhouding meer bestond tussen appellant en D. Kort daarna heeft appellant een conflict gekregen met afdelingshoofd M, in verband met de verhuizing naar een andere werkplek. M heeft appellant daarbij aangeraakt. Appellant heeft een klacht ingediend tegen M en aangifte gedaan. Na een tussen appellant en M gehouden mediation heeft M appellant bericht dat hij hem niet had moeten aanraken en heeft hij zijn excuses aangeboden.

1.2. Met ingang van 21 mei 2007 is appellant bij wijze van proef en onder handhaving van zijn functie als sportconsulent, overgeplaatst naar de unit Voortijdig Schoolverlaten. Kort na die overplaatsing is appellant in conflict geraakt met zijn nieuwe leidinggevende K. Omdat appellant vanwege zijn OR-werkzaamheden minder beschikbaar was dan gepland, is afgesproken dat appellant zou worden ingezet op pilotprojecten. Voor die functie bestond geen functiebeschrijving. Dat verlangde appellant wel. Daarover hebben gesprekken plaatsgehad. Ook is appellant een coachingstraject aangeboden dat in september 2007 is gestart. In een volgend gesprek heeft appellant nogmaals het ontbreken van de functiebeschrijving aan de orde gesteld. Omdat die er niet was, wenste appellant per direct met de proefplaatsing te stoppen en is hij naar zijn oude werkplek teruggekeerd. Daarover heeft een gesprek plaatsgehad met K. Appellant heeft geweigerd terug te keren naar de unit Voortijdig Schoolverlaten en heeft dit op dreigende toon meegedeeld. Dit incident heeft K gemeld aan de directeur. K heeft daarbij te kennen gegeven zich door appellants houding en gedrag bedreigd te voelen.

1.3. Appellant heeft zich ziek gemeld. In verband met het onder 1.2 beschreven incident met K heeft appellant bij brief van 14 november 2007 een schriftelijke waarschuwing gekregen. Het daartegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Op 27 januari 2008 is appellant onaangekondigd op het werk verschenen. K heeft daarover aan de directeur gemeld dat hij zich gelet op het eerdere incident zeer onbehaaglijk voelde.

1.4. Op 7 februari 2008 is appellant duidelijk gemaakt dat hij niet kan terugkeren naar de afdeling sport en dat het in afwachting van verder te nemen stappen niet wenselijk is dat hij op de werkplek verschijnt. Appellant is verzocht hiermee in te stemmen en verlof op te nemen. Omdat appellant dit heeft geweigerd, is hem bij besluit van 11 februari 2008 de toegang tot de werkplek ontzegd, ook ten aanzien van de OR-werkzaamheden. Dit laatste is, na bezwaar van appellant, ongedaan gemaakt. Vervolgens is met appellant gesproken over mogelijke oplossingen voor de ontstane situatie. Uiteindelijk is afgesproken dat appellant bij wijze van proef zal worden geplaatst bij de afdeling Beheer Het Amsterdamse Bos, ook onderdeel van DMO. De proefplaatsing zal op 8 december 2008 worden geëvalueerd.

1.5. De nieuwe directeur van DMO heeft een gesprek gehad met twee leden van de OR over de ontstane situatie zonder appellant hiervoor uit te nodigen. Appellant heeft op

4 december 2008 aangifte gedaan tegen de directeur wegens smaad, omdat de directeur in het gesprek met de OR onwaarheden over hem zou hebben verteld en hem zwart zou hebben gemaakt. De directeur heeft appellant daarna bericht dat het evaluatiegesprek op verzoek van appellant wordt verzet. Wel heeft de directeur appellant alvast meegedeeld dat over zijn functioneren bij het Amsterdamse Bos klachten zijn gekomen. De dienst heeft daarom vastgesteld dat de proef is mislukt.

1.6. Bij brief van 5 maart 2009 is aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, aanhef en onder d, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA). In verband met het lidmaatschap van de OR heeft de DMO bij brief van 24 maart 2009 het college verzocht om toestemming om appellant te mogen ontslaan. In de vergadering van 7 april 2009 is die toestemming verleend. Het ontslag is vervolgens aangezegd bij brief van 8 april 2009 en verleend bij besluit van 15 april 2009 met ingang van 17 juli 2009.

2. Bij besluit van 16 december 2009 is het bezwaar tegen de ontzegging van de toegang niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het ontslag wegens dienstbelang ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het handhaving van het ontslag wegens incompatibiliteit ongegrond verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist over het verbod tot toegang tot de werkplek, is niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de vraag of de werkplekontzegging was ingegeven door het (C)OR-lidmaatschap is beantwoord in het kader van de beoordeling van het beroep tegen de handhaving van het ontslag. Appellant had dan ook geen procesbelang meer bij een beoordeling van het beroep tegen de werkplekontzegging op dit punt.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het ontslag niet bevoegd is aangezegd, zodat het ontslag al om die reden niet in stand kan blijven. De Raad stelt vast dat artikel 12, eerste lid, van de NRGA slechts voorschrijft dat de aanzegging schriftelijk dient te geschieden, hetgeen ook is geschied. Voorts onderschrijft de Raad het standpunt van het college dat de aanzegging van het ontslag geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontslag van appellant is dan ook op de juiste wijze aangezegd. Evenmin bestaat er op grond van de NRGA een verplichting voor het college om appellant over de aanzegging te horen. Dit betekent dat er geen formele gebreken kleven aan de ontslagaanzegging en er geen reden is voor het oordeel dat het ontslagbesluit om die reden niet in stand kan blijven.

4.2. Aan het ontslagbesluit is ten grondslag gelegd dat de verhoudingen met appellant verstoord zijn geraakt doordat appellant in de periode 2006-2009 diverse conflicten en aanvaringen heeft gehad met collega’s en leidinggevenden van de DMO. Daardoor was er uiteindelijk een onwerkbare situatie ontstaan. Om in die situatie verandering te brengen is appellant overgeplaatst, is coaching aangeboden en heeft mediation plaatsgehad. Dat heeft echter niet tot de gewenste verandering in houding en gedrag van appellant geleid. De proefplaatsing bij de afdeling Beheer Het Amsterdamse Bos was een uiterste poging van het college om tot een oplossing van de ontstane situatie te komen. Toen ook die plaatsing werd beëindigd omdat appellant door zijn gedrag niet langer gewenst was, was een ontslag van appellant onafwendbaar. Gezien de feiten onderschrijft de Raad dit.

4.3. Dat, zoals appellant heeft gesteld, het ontslag zou zijn ingegeven door het lidmaatschap van de OR is niet gebleken. De gedingstukken bieden daartoe geen enkel aanknopingspunt. Ook hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, acht de Raad onvoldoende om tot dat oordeel te komen. Dat er vanwege de vrijstelling voor de (C)OR voor zijn werkzaamheden slechts acht uur per week overbleef, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat appellant - ook in die beperkte urenomvang - met meerdere leidinggevenden conflicten heeft gekregen en die conflicten hebben uiteindelijk geleid tot het ontslag.

4.4. Appellant heeft voorts gesteld dat deze incidenten niet aan hem te wijten zijn en hij met de meeste collega’s prima heeft samengewerkt. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellant nog op 19 maart 2012 een aantal verklaringen overgelegd. Het college heeft ter zitting van de Raad verzocht deze verklaringen niet toe te laten wegens strijd met de goede procesorde, omdat de verklaringen pas 19 maart 2012 zijn overgelegd, terwijl deze gelet op de datum van de verklaringen veel eerder beschikbaar waren. De Raad volgt het college daarin niet. Weliswaar zijn de verklaringen pas op een laat moment ingediend, maar ze zijn niet zodanig van omvang dat het college geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud. Dit blijkt ook uit het feit dat het college ter zitting van de Raad is ingegaan op de verklaring van W. De Raad ziet daarom ook geen aanleiding om, zoals het college in dat verband heeft verzocht, de zaak aan te houden en W als getuige op te roepen.

4.5. Wel onderschrijft de Raad het standpunt van het college dat de verklaring van W niet tot het oordeel kan leiden dat het college niet bevoegd zou zijn geweest om appellant ontslag te verlenen. Daarbij acht de Raad niet alleen van belang dat de verklaring van W geen enkele steun vindt in de stukken, maar vooral dat W per juli 2007 de dienst al heeft verlaten, terwijl de conflicten die uiteindelijk tot het ontslag hebben geleid zich in de periode 2006 tot 2009 hebben voorgedaan. Aan de verklaring van W kan dan ook niet de waarde worden toegekend die appellant eraan hecht.

4.6. Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de verhoudingen met appellant ernstig waren verstoord en dat handhaving van appellant bij de DMO niet mogelijk was. Gelet op het vorenstaande was het college bevoegd appellant ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, aanhef en onder d, van de NRGA.

4.7. Ten slotte heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de ontzegging van de toegang tot de werkplek. Met appellant is de Raad van oordeel dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met het oog op finale geschilbeslechting zal de Raad het geding niet terugwijzen naar de rechtbank, maar zelf beoordelen of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend nu het college volledig tegemoet was gekomen aan het bezwaar van appellant. Dit zag immers alleen op de ontzegging van de toegang voor de OR-werkzaamheden. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat uit dat besluit dient te volgen dat het ontslag wel degelijk verband hield met de werkzaamheden voor de (C)OR, had de rechtbank, onder verwijzing naar het oordeel over de invloed van de OR-werkzaamheden op het ontslagbesluit, het beroep tegen de ontzegging van de toegang ongegrond dienen te verklaren. De aangevallen uitspraak kan in zoverre dan ook geen stand houden.

5. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover de uitspraak ziet op het ontslag wegens incompatibiliteit, dient te worden bevestigd en voor zover de uitspraak ziet op de ontzegging van de toegang tot de werkplek voor vernietiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet in hetgeen in 4.7 is overwogen aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten op (2 x 2x € 437,-) = € 1.748,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist over de ontzegging van de toegang;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist over de ontzegging van de toegang ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van totaal € 1.748,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.G. Treffers en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD