Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
11-4744 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om eenmalige uitkering werving en behoud op grond van artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie. De minister heeft uiteengezet dat de uitkering werving en behoud kan worden toegekend in geval er sprake is van schaarste op de arbeidsmarkt. Deze situatie deed zich voor bij een aantal functies. In het geval van appellant is niet voldaan aan de doelstelling van de regeling inzake toekenning van de uitkering. Daarbij is van belang dat de functie van appellant niet (geheel) op één lijn is te stellen met de functie die werd vervuld door medewerkers die wel een uitkering hebben ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4744 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 juli 2011, 10/623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Sanders. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M.G. Kho en G.J. Keller.

OVERWEGINGEN

1. Het geding bij de rechtbank dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was vanaf 27 januari 2007 werkzaam in de functie [functie] bij de unit [unit] ([unit]) van het team [team] ([team]) van de dienst [dienst] van het Korps landelijke politiediensten (Klpd).

2.2. In 2005 is de rechtspositieregeling van medewerkers van de dienst [diens[dienst 2]] en de [diens[dienst 3]] van het Klpd gewijzigd door het in het leven roepen van de mogelijkheid van toekenning van onder meer twee toelagen. Bij brief van 4 januari 2007 heeft de korpschef van het Klpd de minister verzocht om deze regeling ook van toepassing te laten zijn op executieve operationele medewerkers van het [team] van de [dienst]. Daarbij is er onder meer op gewezen dat de arbeidsmarktproblematiek bij deze medewerkers dezelfde is als die bij de medewerkers van de [dienst 2] en [dienst 3], dat aan die functies dezelfde zware fysieke en mentale eisen worden gesteld, dat er eenzelfde groot veiligheids- en afbreukrisico bestaat en eenzelfde mate van onvoorspelbaarheid van de inzet. Bij brief van 13 februari 2007 is hierop in afwachting van de resultaten van nader onderzoek vooralsnog afwijzend gereageerd.

2.3. In verband hiermee heeft de minister vervolgens wel aan een aantal medewerkers van het [team] een eenmalige uitkering werving en behoud toegekend met toepassing van artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie. De minister heeft deze uitkering uitsluitend toegekend aan medewerkers van het [team] die op 31 december 2007 de functie van [functie], leider specialistische operaties en teamleider van het [team] uitoefenden.

2.4. Bij brief van 5 oktober 2009 heeft appellant de minister verzocht hem ook een uitkering als bedoeld in 2.3 toe te kennen. Bij besluit van 18 november 2009 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 26 maart 2010 heeft de minister het besluit van 18 november 2009 na bezwaar gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De minister heeft uiteengezet dat de uitkering werving en behoud kan worden toegekend in geval er sprake is van schaarste op de arbeidsmarkt. Deze situatie deed zich voor bij een aantal functies bij het [team]. Appellant was weliswaar tot in 2008 bij het [team] werkzaam als [functie] maar dit was bij de (min of meer zelfstandige) eenheid Entry waar niet kon worden gesproken van schaarste in bedoelde zin. Bovendien was de functie die appellant vervulde niet in alle opzichten even zwaar als de functie [functie] van de medewerkers die wel een uitkering hebben gekregen.

4.2. Aannemelijk is geworden dat bij het [team] in een kort tijdsbestek een negental medewerkers is vertrokken en dat het moeilijk was hiervoor ander personeel aan te trekken. Volgens de minister deed zich bij Entry niet een soortgelijke situatie voor. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop was in het geval van appellant niet voldaan aan de doelstelling van de regeling inzake toekenning van de uitkering.

Daarbij is van belang dat de functie van appellant niet (geheel) op één lijn is te stellen met de functie [functie] die werd vervuld door medewerkers die wel een uitkering hebben ontvangen. Zo bekleedt appellant een zeer gespecialiseerde functie die ondersteunend is aan het primaire proces van het [team]. Bij zijn werkzaamheden wordt appellant afgeschermd door een medewerker van het [team] om risico’s zo veel mogelijk te verkleinen. Ook verricht appellant in zijn functie minder nachtdiensten.

4.3. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD