Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
11-1360 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening besluit. Terughoudende toetsing. Geen feiten of omstandigheden in het geding gebracht die aan verweerder bij het nemen van het besluit van 26 november 1993 niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1360 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 10 mei 2012

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.

Namens appellant heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 januari 2011, kenmerk BZ01201696 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1944 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In 1991 is hij erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en is hem met ingang van 1 augustus 1989 een periodieke uitkering op grond van die wet toegekend. Bij besluit van 20 mei 1992 is hem in plaats daarvan met ingang van 1 augustus 1989 een maandelijkse vergoeding voor niet-meetbare invaliditeitskosten (NMIK) toegekend op grond van artikel 21b van de Wuv, zoals dit tot 1 januari 1992 luidde. Bij besluit van 7 oktober 1993 is aan appellant wegens beëindiging van zijn werkzaamheden een periodieke uitkering toegekend. In verband daarmee is de NMIK per 1 december 1992 ingetrokken.

1.2. Bij brief van 25 juni 1993 heeft appellant verweerder verzocht de NMIK te laten ingaan in 1982 of in ieder geval met ingang van 1984. Daartoe heeft hij aangevoerd dat is vastgesteld dat hij sinds 1982 causaal is geïnvalideerd. Bij besluit van 26 november 1993, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 januari 1994, is dit verzoek ingewilligd wat betreft de periode van 1 juni 1988 tot 1 augustus 1989. Terugwerkende kracht tot 1982 is geweigerd. Daartoe is overwogen dat ingevolge het door verweerder gevoerde beleid aan de beslissing op een herzieningsverzoek ten hoogste vijf jaar terugwerkende kracht wordt toegekend en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hiervan zou moeten worden afgeweken. Bij uitspraak van 14 juli 1994, WUV 1994/124, heeft de Raad het hiertegen gerichte beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden.

1.3. Bij brief van 27 november 2009 heeft appellant opnieuw verzocht om NMIK over de periode van 1 december 1984 tot 1 juni 1988. Aan dit verzoek heeft hij jurisprudentie van de Raad ten grondslag gelegd waaruit hij afleidt dat de datum van de aanvraag niet doorslaggevend is voor de ingangsdatum van de NMIK, dat voor mannen bepalend is op welke datum na 22 december 1984 aan de voorwaarden van artikel 21b (oud) van de Wuv was voldaan, en dat in ieder geval geen beperking tot vijf jaar terugwerkende kracht kan worden toegepast.

1.4. Bij besluit van 21 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het verzoek van 27 november 2009 draagt, zoals ook verweerder terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het besluit van 26 november 1993. Dit besluit hield voor zover het gaat om terugwerkende kracht van de toekenning van de NMIK tot een datum gelegen vóór 1 juni 1988 op zijn beurt een weigering in om terug te komen van het toekenningsbesluit van 20 mei 1992.

2.2. Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het besluit van 26 november 1993 niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.3. Zulke nieuwe feiten of omstandigheden zijn niet naar voren gebracht. Dat in 1993 een beoordeling heeft plaatsgevonden die mede in het licht van toen reeds gevormde en nadien verder ontwikkelde jurisprudentie wellicht bij de bestuursrechter geen stand had kunnen houden, is niet als zo'n omstandigheid aan te merken. Door de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is het besluit van 26 november 1993 in rechte onaantastbaar geworden. Voor het oordeel dat appellant door verweerder op oneigenlijke wijze van het indienen van beroepsgronden is afgehouden, zijn geen aanknopingspunten gevonden. Het door appellant genoemde "bewust en stelselmatig in strijd handelen met de Wuv" (CRvB 19 februari 1993, WUV 1992/90, en CRvB 24 mei 1993, LJN AI3719) had reeds in het kader van het beroep tegen het besluit van 26 november 1993 aan de orde kunnen worden gesteld en kan daarom thans geen rol meer spelen.

2.4. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

De griffier is buiten staat te ondertekenen.

HD