Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
10-528 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek weigeringsbesluit te herzien. In bezwaar heeft verweerder advies ingewonnen van een andere geneeskundig adviseur, de arts Maas. Deze heeft zich aangesloten bij het nadere advies van de geneeskundig adviseur de arts Laatsch. Er is wel nieuwe informatie, maar eigenlijk zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen. Naar het oordeel van de Raad boden de adviezen van Laatsch en Maas, ook in onderling verband bezien, onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/528 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland (appellant)

de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 10 mei 2012

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 november 2009, kenmerk BZ 48529, JZ/W70/2009 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en verweerder een aantal vragen voorgelegd. Deze zijn door verweerder beantwoord, evenals een nadere vraag van de Raad. Appellant heeft een reactie gegeven.

De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van 12 april 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1938 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In augustus 1999 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wuv, dan wel gelijkstelling met de vervolgde, en om toekenningen op grond van die wet. Bij besluit van 11 mei 2001, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2002, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Wat betreft de weigering van gelijkstelling heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad. Dit beroep is bij uitspraak van 18 september 2003, 02/5349 WUV, ongegrond verklaard.

1.2. Bij brief van 9 juli 2008 heeft appellant verweerder verzocht het weigeringsbesluit te herzien. Bij besluit van 13 mei 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Voor zover appellant heeft betoogd dat hij zelf vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan, heeft hij naast de feiten en omstandigheden die reeds bij de eerdere afwijzing zijn beoordeeld geen nieuwe gegevens aangedragen die tot deze conclusie kunnen leiden. Van de gestelde internering in Malang is geen objectieve bevestiging verkregen, ook niet uit de nader overgelegde verklaring van appellants nicht [naam nicht]. Uit deze verklaring blijkt immers dat zij via kennissen van de internering heeft gehoord. Het is dus slechts een verklaring van horen zeggen. De moord op oom [naam oom] heeft blijkens nader onderzoek niet in 1947 maar in oktober 1945 plaatsgevonden. Dit valt echter nog steeds buiten de periode waarop de Wuv betrekking heeft. Het verblijf in het kindertehuis [naam kindertehuis] valt evenzeer buiten die periode en is ook naar zijn aard niet te beschouwen als vrijheidsberoving in de zin van de Wuv. Wat betreft de gestelde eigen vervolging treft het beroep van appellant dus geen doel.

2.2. Wat betreft de gelijkstelling met de vervolgde, gaat het erom of redelijkerwijs verband bestaat tussen de psychische klachten van appellant en het omkomen van zijn vader als gevolg van vervolging in de zin van de Wuv. Daarbij is op zichzelf niet van belang dat zo'n verband bij appellants broer [naam broer] wèl is aangenomen. Immers, de psychische gevolgen van eenzelfde gebeurtenis kunnen per individu verschillen. Het gaat om de psychische gevolgen van het overlijden van de vader voor appellant persoonlijk.

2.3. In de uitspraak van 18 september 2003 heeft de Raad geoordeeld dat verweerder zich mede op grond van een rapport van de psychiater Dr. med. M.M. Weber op het standpunt heeft mogen stellen dat de psychische klachten van appellant niet in directe samenhang staan met de dood van de vader. Appellant heeft dit overlijden niet persoonlijk meegemaakt en is de precieze omstandigheden ervan pas vele jaren later te weten gekomen. Anderzijds heeft hij zelf belastende omstandigheden meegemaakt, zoals de aanwezigheid bij de gewelddadige dood van oom [naam oom], die typisch zijn voor het late ontstaan van posttraumatische belastbaarheidsstoornissen. Ook uit een door appellant in het geding gebracht rapport van de psychiater H.E. Sanders zag de Raad naar voren komen dat de psychische klachten van appellant zijn toe te schrijven aan het geheel van zijn oorlogsbelevenissen.

2.4. Ter ondersteuning van zijn hernieuwde verzoek om gelijkstelling heeft appellant onder meer een verklaring van zijn behandelend psychotherapeut Dr. med. E. Kronberger overgelegd. Hierin wordt een grote rol toegekend aan toegenomen onbewuste extreem belastende fantasieën met betrekking tot de vermoorde vader. Naar aanleiding van het verzoek heeft verweerder appellant laten onderzoeken door zijn geneeskundig adviseur, de arts G.J. Laatsch, die appellant daartoe thuis heeft bezocht. In zijn advies van 18 december 2008 heeft Laatsch onder meer gesteld dat de psychische klachten, die altijd hebben bestaan, in de afgelopen jaren zijn toegenomen, Appellant is steeds meer bezig met het oorlogsverleden en zeker ook met het omkomen van zijn vader en het gemis nadien, zoals ook duidelijk verwoord door Kronberger. Daaraan kan meer betekenis worden toegekend dan voorheen. In navolging van Sanders was Laatsch van mening dat het wegvallen van de vader bij appellant als een zeer belangrijke (eerste) schakel van de sequentiële oorlogstraumatisering dient te worden gezien. Het omkomen van de vader moet dan ook redelijkerwijs verantwoordelijk worden gehouden voor het ontstaan van de latere en ook huidige psychopathologie. Voor het PTSS is dit misschien wat evidenter dan voor de depressieve stoornis, maar deze latere verlieservaring (mislukte langdurige intieme relatie) activeert de eerdere belangrijke verlieservaring van het omkomen van de vader, aldus Laatsch.

2.5. Verweerder heeft dit advies van Laatsch niet overgenomen, maar zich op het standpunt gesteld dat op basis van dezelfde gegevens als voorheen niet de conclusie kan worden getrokken dat de psychische klachten nu wel redelijkerwijs in causaal verband kunnen worden aanvaard. De suggestie om door een psychiater een dossierexpertise te laten verrichten heeft verweerder afgewezen op de grond dat zo'n expertise geen nova kan opleveren. De zaak is opnieuw voorgelegd aan Laatsch. In diens nadere advies van 6 maart 2009 is onder meer gesteld dat het omkomen en het gemis van de vader bij appellant niet een al te grote rol speelt. In zijn brieven stelt appellant ook alle andere traumatische gebeurtenissen aan de orde. Het is niet zo dat hij nu al zijn psychische klachten op het omkomen van zijn vader projecteert. Het wegvallen van de vader wordt nog steeds gezien als een belangrijke (eerste) schakel van de sequentiële oorlogstraumatisering, maar het is een complexe vraag of daarmee het omkomen van de vader redelijkerwijs verantwoordelijk moet worden gehouden voor de latere en ook huidige psychopathologie. Voor het PTSS ligt de non-causaliteit eenvoudiger dan voor de depressieve stoornis. Er zijn zowel argumenten pro als contra aan te wijzen. Dit vraagt om een beleidsmatige beslissing, aldus Laatsch. Op basis van dit nadere advies heeft verweerder het verzoek van appellant afgewezen.

2.6. In bezwaar heeft verweerder advies ingewonnen van een andere geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft zich aangesloten bij het nadere advies van Laatsch. Er is wel nieuwe informatie, maar eigenlijk zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen. Het oordeel van Sanders is al eerder gewogen en heeft niet tot een positief advies geleid. Er zijn duidelijk andere oorzaken voor de psychopathologie aan te wijzen, aldus Maas. Op grond van dit advies heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe feiten of omstandigheden.

2.7. Naar het oordeel van de Raad boden de adviezen van Laatsch en Maas, ook in onderling verband bezien, onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit. De stelling van verweerder dat het gaat om hetzelfde feitencomplex als voorheen, kan niet als juist worden aanvaard. Uit de rapportage van Kronberger komt naar voren dat de psychische klachten van appellant aanmerkelijk zijn toegenomen en wellicht ook van karakter zijn veranderd. Voor een nieuw medisch onderzoek, zoals ingesteld door Laatsch, bestond dan ook alle aanleiding. In dit onderzoek zijn de bevindingen van Kronberger in wezen bevestigd. Er zijn echter aanzienlijke discrepanties tussen het eerste en het tweede advies van Laatsch. Opmerkelijk is vooral dat deze het causaal verband met het PTSS eerst als evident aanmerkt, maar vervolgens na ingrijpen door verweerder zo'n verband duidelijk afwezig acht. Voor dit verschil van uitkomst is geen bevredigende verklaring gegeven. Het bepalen van de invloed van het overlijden van de vader op de psychische gesteldheid van appellant is een kwestie van medische aard. Een medisch oordeel daarover kan op zichzelf niet worden vervangen door een beleidsmatige beslissing. Bij een zo ingrijpende koerswijziging had een medisch-inhoudelijke onderbouwing niet mogen ontbreken. De enkele stelling van Maas dat voor de psychopathologie duidelijk andere oorzaken zijn aan te wijzen dan de dood van de vader, is daarvoor niet voldoende. De vraag is juist of het overwegende karakter van die andere oorzaken dat door de Raad in 2003 is aanvaard op basis van de huidige medische gegevens nog altijd staande kan worden gehouden. Beantwoording van deze vraag vergt een meer toegespitste motivering dan door Maas is gegeven.

2.8. De Raad concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Dit besluit komt dan ook wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

3. De Raad acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 437, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 13 november 2009 gegrond en vernietigt

dit besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437, ;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem in beroep betaalde griffierecht van

€ 35, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B. Bekkers.

HD