Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
10/5690 WIA + 10/5691 SUWI
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid 55 tot 65%. Er is sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen omtrent de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies. Re-integratievisie. Het betoog van appellante dat zij op medische gronden in het geheel niet in staat is arbeid te verrichten en dat re-integratie dus niet aan de orde is, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5690 WIA en 10/5691 SUWI

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2010, 09/2857 en 09/2882 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Koppert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Koppert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Doogman.

II. O VERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante heeft zich, vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving, op 18 februari 2005 ziek gemeld met exacerbatie van gewrichtsklachten, verband houdende met SLE. In het kader van een beoordeling per einde wachttijd is appellante door de verzekeringsarts onderzocht. Deze heeft appellante, mede op basis van informatie van de appellante behandelende internist van 16 december 2005, beperkt geacht voor fysiek werk, werken in een koude omgeving, werk met veelvuldige deadlines en hoog handelingstempo en in gevaarlijke situaties en verder aangewezen geacht op een urenbeperking tot 20 uur per week. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2007 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 16 februari 2007 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij besluit van 16 december 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij - in het vervolg op haar loongerelateerde uitkering - met ingang van 23 december 2008 in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 mei 2009 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 mei 2009 - bij besluit van 20 mei 2009 (bestreden besluit 1) gegrond verklaard, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55 tot 65%.

1.4. Bij besluit van eveneens 16 december 2008 heeft het Uwv een re-integratievisie vastgesteld. Het tegen het besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv onder verwijzing naar bestreden besluit 1 bij besluit van eveneens 20 mei 2009 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 1 overwogen dat niet is gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts de lichamelijke beperkingen van appellante heeft onderschat. Zij heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 mei 2009 en heeft geoordeeld dat het bestreden besluit 1 zorgvuldig is voorbereid en op een deugdelijke medische grondslag berust. Omdat de beroepsgronden van appellante zich alleen richten tegen de medische beoordeling en de daarbij vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2007, LJN BA2955, voorts overwogen de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 niet te beoordelen.

2.2. De rechtbank heeft met betrekking tot bestreden besluit 2 geoordeeld dat de door appellante aangevoerde tegenstrijdigheid in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 28 augustus 2008 - inhoudende dat onder punt 2.5 van deze rapportage wordt aangegeven dat appellante niet instemt met de inschatting van haar belastbaarheid door de verzekeringsarts en onder punt 3.4 dat zij het daarmee wel eens is - van ondergeschikte aard is en niet kan leiden tot het oordeel dat de re-integratievisie niet in stand kan blijven.

3. In hoger beroep heeft appellante met betrekking tot bestreden besluit 1 aangevoerd dat niet kan worden volgehouden dat er objectief geen aanwijzingen zijn dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. Appellante wijst daarbij op het grillig verloop van haar aandoening. De conclusie dat de ongewijzigde behandeling van SLE op een relatief rustig beeld duidt acht appellante onvoldoende onderbouwd. Zij acht voorts het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig. Er is door de bezwaarverzekeringsarts geen gericht onderzoek gedaan naar de door de oogarts vastgestelde gezichtsachteruitgang. Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de in de rapportage van de arbeidsdeskundige vermelde tegenstrijdigheid van ondergeschikte aard is geen gevolgen moet hebben voor de re-integratievisie. Appellante is voorts van mening dat zij vanwege haar aandoening niet kan re-integreren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht tijdens het spreekuur op 19 mei 2008, een anamnese afgenomen en het dossier bestudeerd met daarin informatie uit de behandelende sector. De verzekeringsarts heeft op basis hiervan gesteld dat appellante in de periode vanaf 24 december 2007 tot arbitrair 15 maart 2008 door diverse intercurrente ziektes wisselend niet en marginaal belastbaar was, maar dat appellante ten tijde van het onderzoek weer halve dagen belastbaar was conform de bij einde wachttijd vastgestelde belastbaarheid, welke de verzekeringsarts heeft neergelegd in de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 21 mei 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, appellante gezien en geobserveerd tijdens de hoorzitting op 15 april 2009 en tevens een anamnese afgenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder informatie opgevraagd en verkregen van de appellante behandelende longarts en oogarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze gegevens vergeleken met de informatie van de internist van 16 december 2005 en, omdat de therapie niet is geïntensiveerd, geconcludeerd dat de situatie min of meer stabiel is. Uit de informatie van de oogarts en de longarts blijkt dat er geen betrokkenheid is van ogen en longen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is het cataract aan het linker oog goed voor operatieve behandeling toegankelijk, staat de aandoening op zichzelf en heeft deze niets met SLE te maken. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 21 mei 2008, bevestigd.

4.2. Er is geen aanleiding het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Het standpunt van het Uwv dat de eigen waarneming van de bezwaarverzekeringsarts van het leesgedrag van appellante tijdens de hoorzitting naast de objectieve gegevens van de oogarts, in onderlinge samenhang bezien, een goed beeld geven van de visusbelemmeringen is juist. Er is voorts geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid. Appellante heeft geen nadere medische onderbouwing gegeven op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen aangegeven.

4.3. Appellante is in bezwaar uiteindelijk geschikt geacht voor de functies van machinaal metaalbewerker, textielproduktenmedewerker, assistent consultatiebureau en huishoudelijk medewerker gebouwen. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen omtrent de geschiktheid van deze functies voor appellante. In de rapportages van 28 augustus 2008 en 11 mei 2009 is - na overleg met de bezwaarverzekeringsarts - op afdoende wijze (nader) toegelicht waarom deze functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.4. Het betoog van appellante dat zij op medische gronden in het geheel niet in staat is arbeid te verrichten en dat re-integratie dus niet aan de orde is, slaagt niet, omdat de Raad in rechtsoverweging 4.2 tot en met 4.4 heeft geoordeeld dat de door het Uwv ten aanzien van appellante aangenomen medische beperkingen juist zijn en appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen.

4.5. Met de overweging dat de door appellante geconstateerde tegenstrijdigheid in het rapport van de arbeidsdeskundige van ondergeschikte aard is heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de mening van appellante over de conclusie van de verzekeringsarts ten aanzien van haar beperkingen niet doorslaggevend is. Dat is een juist oordeel van de rechtbank, want het gaat bij de vraag in hoeverre appellante medische beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid om een inschatting van haar mogelijkheden op basis van medische gegevens. Of appellante zich kan vinden in de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen staat daar los van. De rechtbank heeft dan ook terecht geen conclusies verbonden aan bedoelde tegenstrijdigheid.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) K.E. Haan.

KR