Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
10-4187 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verkorting loonsanctie. De stukken bieden voldoende steun voor de het standpunt van het Uwv dat appellante de tekortkoming in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage terecht geconcludeerd dat de inspanning van appellante in het tweede spoortraject niet adequaat is opgepakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4187 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 juli 2010, 09/3740 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Namens appellante is E.E.L.M. Terwindt verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het Uwv het tijdvak waarin [werkneemster] (werkneemster) jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd tot 31 januari 2010. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken omdat appellante niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, nu zij - ook na de gelegenheid te hebben gekregen het verzuim te herstellen - zonder geldige reden heeft nagelaten een compleet re-integratieverslag over te leggen. Bij het opleggen van de loonsanctie heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.2. Nadat appellante op 13 januari 2009 alsnog de ontbrekende medische informatie heeft overgelegd en daarmee de administratieve tekortkoming heeft hersteld, heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2009, onder verwijzing naar de rapportage van arbeidsdeskundige P. Peek van 30 januari 2009, de loonsanctie gehandhaafd omdat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht en daarmee de tekortkoming niet was hersteld.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 6 februari 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige R.C. Hooff van 24 juni 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er bijna één jaar is verstreken tussen het moment waarop het voor appellante duidelijk werd dat het tweede spoor zou moeten worden gevolgd en de daadwerkelijke start daarvan. De omstandigheid dat appellante als werkgeefster zorgvuldig dient te handelen tegenover haar werknemers, waardoor appellante het in het geval van werkneemster aangewezen achtte met de nodige voorzichtigheid te opereren, neemt niet weg dat de wet in het kader van re-integratie voortvarendheid eist van werkgeefster. Aan die voortvarendheid heeft het volgens de rechtbank ontbroken. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht en dat zij daarvoor geen deugdelijke grond had, zodat het Uwv de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting op goede gronden heeft gehandhaafd.

3.1. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij eerder in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zij wel tijdig activiteiten heeft ondernomen ten behoeve van de re-integratie van werkneemster, zoals een outplacementtraject. Volgens appellante is er wel sprake geweest van voortvarendheid, maar moest zij juist zorgvuldige stappen zetten om het proces niet te vertragen. In dat verband wordt gewezen op het feit dat werkneemster een WSW-indicatie heeft en dat druk uitoefenen of een loonsanctie opleggen bij werkneemster juist het proces van re-integratie zou vertragen en dat dit een averechts effect zou hebben gehad op de voortvarendheid die het Uwv en de rechtbank voorstaat.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat het appellante in ieder geval op 30 juni 2008 duidelijk was dat terugkeer van werkneemster naar een functie binnen het eigen bedrijf niet (meer) mogelijk was en dat vanaf dat moment re-integratie in het tweede spoor aangewezen was. Aanmelding bij het re-integratiebedrijf Salto heeft pas op 10 november 2008 plaatsgevonden, waarna het eerste gesprek op 11 december 2008 heeft plaatsgevonden en het trajectplan vervolgens op 20 januari 2009 is gestart. Volgens het Uwv kan op basis daarvan worden gesteld dat appellante niet voortvarend heeft gehandeld.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv op grond van artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA terecht heeft geweigerd de periode van de tot 31 januari 2010 opgelegde loonsanctie te verkorten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante haar tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen heeft hersteld.

4.2. Het standpunt van het Uwv dat appellante de tekortkoming in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld, is gebaseerd op de conclusies in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 30 januari 2009 en in de bezwaarfase op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 juni 2009. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat appellante te veel tijd verloren heeft laten gaan tussen het moment dat duidelijk werd dat werkneemster het eigen werk niet meer zou kunnen uitvoeren en het daadwerkelijke onderzoek naar mogelijkheden van werkneemster binnen het eigen bedrijf of daarbuiten. Het tweede spoortraject heeft daardoor veel te lang op zich laten wachten. Daarbij is appellante te laks geweest bij de aansturing, omdat blijkt dat na het onderzoek door de arbeidsdeskundige van de Arbo Unie op 30 juni 2008 tot op het beoordelingsmoment in januari 2009 het tweede spoortraject nog niet blijkt te zijn gestart. Een deugdelijke grond wordt hiervoor niet aanwezig geacht, omdat het initiatief van de re-integratie-inspanning bij appellante ligt en dat van haar dus een proactieve houding mag worden verwacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat op de datum van de beoordeling van het re-integratieverslag door de arbeidsdeskundige op 30 januari 2009 bleek dat werkneemster niet werkzaam was en dat appellante na het advies van de arbeidsdeskundige van de Arbo Unie in augustus 2008 nog steeds geen tweede spoor heeft ingezet. Hij heeft geconcludeerd dat appellante te veel tijd verloren heeft laten gaan met het starten van het tweede spoor en dat de re-integratie-inspanningen van appellante daarom onvoldoende zijn geweest, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was.

4.3. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante de tekortkoming in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld. Uit de voorhanden gegevens blijkt dat de bedrijfsarts reeds op 24 april 2008 heeft aangegeven dat hij een beperkingenlijst zou opstellen ten behoeve van een arbeidskundig onderzoek. Dat onderzoek heeft op 30 juni 2008 door een arbeidsdeskundige van Arbo Unie plaatsgevonden. In de op 6 augustus 2008 opgestelde rapportage vermeldt deze arbeidsdeskundige dat er bij de eigen werkgever geen passende mogelijkheden zijn en dat werkneemster daarom is aangewezen op werk bij een andere werkgever. Hij achtte daarom een traject gericht op het tweede spoor aan de orde. Vervolgens blijkt dat pas op 10 november 2008 aanmelding bij het re-integratiebedrijf Salto heeft plaatsgevonden en dat het trajectplan pas op 20 januari 2009 is gestart. Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante teveel tijd verloren heeft laten gaan tussen het moment dat duidelijk werd dat werkneemster niet meer bij appellante kon hervatten en het inzetten en aansturen van het tweede spoortraject. Zoals ter zitting namens appellante bevestigd, is niet in geschil dat geen bevredigend resultaat is bereikt, terwijl evenmin is gebleken dat sprake is van een afgerond tweede spoortraject. Naar het oordeel van de Raad heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 30 januari 2009 dan ook terecht geconcludeerd dat de inspanning van appellante in het tweede spoortraject niet adequaat is opgepakt. Mitsdien is de wijze waarop door appellante het tweede spoortraject is ingezet terecht als onvoldoende aangemerkt om de tekortkoming in de re-integratie-inspanning te herstellen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het besluit tot het weigeren van het verkorten van de loonsanctie in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I.J. Penning.

KR