Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
10-610 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. De - in dit geding vaststaande - handel in verdovende middelen is onmiskenbaar een feit dat van invloed kan zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Appellante is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, zij recht zou hebben gehad op (aanvullende) bijstand. De bestuursrechter is niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter en de door deze vastgestelde hoogte van het wederrechtelijk genoten voordeel. Het recht op bijstand van appellante kan niet worden vastgesteld. Er is geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken de bijstand over de in geding zijnde periode geheel in te trekken en terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/610 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 december 2009, 09/428 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 8 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door D.F.M. Janssen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor de in deze zaak van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 25 november 2008 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante over de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2006 ingetrokken op de grond dat zij geen melding heeft gemaakt van handel in verdovende middelen en van de daaruit verkregen inkomsten, waardoor haar recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Tevens heeft het dagelijks bestuur de over de hiervoor vermelde periode ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.591,81 van haar teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft het volgende aangevoerd. Zij is door de strafrechter veroordeeld voor handel in verdovende middelen in de periode van november 2005 tot november 2006, in welk kader het wederrechtelijk door haar in die periode verkregen voordeel door de rechtbank Maastricht, sector strafrecht, onherroepelijk is vastgesteld op een bedrag van € 455,--. Met die vaststelling moeten het dagelijks bestuur en de bestuursrechter rekening houden. Een dergelijk voordeel is zo laag dat de onderliggende activiteit niet eens had behoeven te worden gemeld aan het dagelijks bestuur. In ieder geval is er, gelet op het oordeel van de strafrechter, geen grondslag voor het standpunt dat het recht van appellante op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het bedrag van de terugvordering staat volgens appellante voorts in geen verhouding tot het vastgestelde wederrechtelijk genoten voordeel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. De - in dit geding vaststaande - handel in verdovende middelen is onmiskenbaar een feit dat van invloed kan zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. De stelling van appellante dat zij uit die handel zo weinig inkomsten heeft ontvangen dat zij die niet hoefde te melden treft geen doel. Appellante heeft het dagelijks bestuur niet in de gelegenheid gesteld dit tijdig te onderzoeken. Het is ook aan het dagelijks bestuur, en niet aan appellante, om te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, bij de verlening van de bijstand rekening dient te worden gehouden met inkomsten als hier aan de orde.

4.2. Schending van de inlichtingenverplichting levert een grond op voor intrekking of herziening van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, hij recht zou hebben gehad op (aanvullende) bijstand.

4.3. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft zich in dit verband uitsluitend beroepen op het oordeel van de strafrechter. Naar vaste rechtspraak is de bestuursrechter echter niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter en de door deze vastgestelde hoogte van het wederrechtelijk genoten voordeel. In een strafrechtelijke procedure ligt een andere rechtsvraag voor en is ander procesrecht van toepassing. In dit geval zijn er aanwijzingen dat ook buiten de door de strafrechter in aanmerking genomen periode is gehandeld en is bij de vaststelling van het wederrechtelijk genoten voordeel bovendien sprake van een schatting en niet van vaststelling van de inkomsten uit handel in verdovende middelen aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens. Dat appellante niet of niet meer in staat is dergelijke gegevens aan te leveren ligt, gegeven de schending van de inlichtingenverplichting, geheel in haar risicosfeer.

4.4. Evenals het dagelijks bestuur en de rechtbank, en anders dan appellante, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 november 2005 tot en met 31 oktober 2006 niet kan worden vastgesteld.

4.5. Dat betekent dat het dagelijks bestuur bevoegd is de bijstand over deze periode geheel in te trekken. Er is geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het dagelijks bestuur is tevens in beginsel bevoegd de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten volle van appellante terug te vorderen. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het oordeel van de strafrechter over de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel (ook) niet bindend is voor de terugvordering van bijstand. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 maart 2010, LJN BL9745) kan dat oordeel ook overigens niet van invloed zijn op de hoogte van het in een bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag. In de door appellante gestelde discrepantie tussen het vastgestelde wederrechtelijk genoten voordeel en het bedrag van de terugvordering ziet de Raad op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid niet van de bevoegdheid tot volledige terugvordering gebruik heeft kunnen maken. Appellante heeft dat uiteindelijk toch over zichzelf afgeroepen door te gaan handelen in verdovende middelen, die handel tenminste gedurende een jaar te verzwijgen voor het bijstandverlenend bestuursorgaan en voorts geen verifieerbaar inzicht te geven in de met de handel verkregen inkomsten.

4.6. Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD