Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
11-5117 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Het bezwaar van werkgever tegen toekenningsbesluit inzake WAO-uitkering aan werknemer had wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Werkgever was op de hoogte was van de ziekte van de werknemer, en had een besluit over de WAO-uitkering van de werknemer mogen verwachten. De onjuiste tenaamstelling kan niet anders worden begrepen dan te zijn een kennelijke verschrijving met als gevolg dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan over de identiteit van de geadresseerde. Niet in geschil is dat het besluit is verzonden naar het juiste adres. Evenmin is gebleken van problemen destijds met de postverzending. 2) Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering. geen aanleiding om het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet te volgen. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het in vaste rechtspraak verankerde uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige pleegt te volgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2012-04-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/166
ABkort 2012/183

Uitspraak

11/5117 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2011, 06/3036

(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], gevestigd te Amsterdam (betrokkene).

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een tweetal ontbrekende stukken toegezonden.

Namens betrokkene heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, een verweerschrift ingediend.

[Werknemer] (de werknemer) heeft desgevraagd meegedeeld niet als partij aan het geding deel te nemen en geen toestemming te verlenen om zijn medische gegevens aan appellant te sturen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. Namens betrokkene zijn mr. van Zijl en O. Kers verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De werknemer heeft als senior account manager gewerkt bij

[B.V.], thans genaamd [betrokkene] Wegens psychische klachten is hij voor deze werkzaamheden op 2 februari 2000 uitgevallen. Bij besluit van 24 januari 2001 heeft appellant met ingang van 31 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een afschrift van dat besluit is eveneens op 24 januari 2001 gezonden naar [A. B.V.], [adres].

1.2. Bij besluit van 10 maart 2003 heeft appellant aan de werknemer meegedeeld dat de WAO-uitkering ongewijzigd wordt vastgesteld. Van dit besluit is geen afschrift naar betrokkene gezonden.

1.3. Bij brief van 13 september 2005 heeft mr. van Zijl namens [B.V.] aan appellant verzocht om toezending van de besluiten omtrent de WAO-uitkering van de werknemer.

1.4. Bij brief van 13 oktober 2005 heeft appellant de besluiten van 24 januari 2001 en 10 maart 2003 aan mr. Van Zijl toegezonden.

1.5. Op 18 oktober 2005 is namens [B.V.] tegen deze beide besluiten bezwaar gemaakt.

1.6. Het Uwv heeft de bezwaren tegen de besluiten van 24 januari 2001 en 10 maart 2003 bij besluit van 28 april 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft aanleiding gezien de cardioloog dr. D.R. Düren te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek op basis van de stukken. Deze deskundige heeft op 29 mei 2009 gerapporteerd dat de werknemer ruim voor 30 januari 2001 iemand was met een algeheel atherosclerotisch vaatlijden dat zich inmiddels heeft gemanifesteerd als een hartinfarct en als een progressief perifeer vaatlijden. Daarbij is toen al gebleken dat er ook sprake was van hypertensie en een hypercholesterolaemie, beide bekend als bepalende risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Deze deskundige heeft zich geheel kunnen vinden in de door de artsen van appellant vastgestelde belastbaarheid, waaronder een urenbeperking van maximaal 4 uur per dag gedurende 5 dagen per week. In een op 7 januari 2010 bij de rechtbank ingekomen reactie heeft Düren zijn standpunt onverkort gehandhaafd.

2.2. Bij beslissing van 27 mei 2010 tot heropening van het onderzoek heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van de deskundige Düren in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tot stand is gekomen. Verwijzend naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 maart 1997, NJ 1998, 278 (Mantovanelli) heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene, doordat zij niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de informatie van de behandelend sector en de voorgenomen conclusies van de deskundige alvorens deze zijn rapportage definitief maakte en aan de rechtbank zond, niet effectief heeft kunnen reageren op een voor de beantwoording van de aan de rechtbank voorgelegde vraag zeer belangrijk stuk.

2.3. Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien de cardioloog dr. R.B. van Dijk te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft op 25 januari 2011 gerapporteerd – samengevat – dat de werknemer beperkt is voor zware fysieke belasting, maar wel geschikt is te achten voor fysiek niet of licht belastend werk. Van Dijk heeft op basis van de beschikbare stukken geen reden gezien voor een urenbeperking voor geconstateerde aandoeningen op zijn vakgebied. De in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 13 december 2005 aangehaalde motivering dat de benauwdheidsklachten wat zijn toegenomen en er ook hartklachten in rust kunnen optreden, samen met het functioneringsniveau op het moment van onderzoek, snijden volgens deze deskundige geen hout. Het aantal uren belasting heeft geen aangetoonde relatie met de klachten, noch een bewezen negatieve invloed op de medische situatie, aldus Van Dijk.

2.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen tot vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

2.5. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat aan de wijze van totstandkoming van het rapport van Van Dijk geen gebreken kleven. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van de door hem ingeschakelde onafhankelijke en onpartijdige medisch deskundige in beginsel pleegt te volgen. Naar aanleiding van de reactie van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn van 20 januari 2011 op het concept-rapport van Van Dijk heeft de rechtbank uitvoerig gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van Van Dijk dat de hartklachten van betrokkene geen aanleiding geven om een urenbeperking aan te nemen. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten noch uit de gegevens van de behandelend artsen van betrokkene komt naar voren dat Van Dijk (de ernst van) deze klachten onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Ook voor de stelling van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn in zijn rapport van 20 januari 2011 dat de rechtvaardiging van de urenbeperking gelegen is in een ‘totaalbeeld’, waarbij naast hartklachten ook longklachten en slaapapneu een rol spelen, zijn volgens de rechtbank geen aanknopingspunten te vinden in de ten tijde in geding over betrokkene opgemaakte verzekeringsgeneeskundige rapporten. Daar het rapport van Van Dijk niet onvolledig is of onzorgvuldig tot stand is gekomen en het dossier niet met andere medische gegevens kan worden gecompleteerd, nu de werknemer niet wil meewerken aan een medisch onderzoek en hij daartoe ook niet kan worden gedwongen, omdat hij inmiddels de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en dus geen WAO-uitkering meer ontvangt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het oordeel van deskundige Van Dijk dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen onvoldoende zijn onderbouwd, niet te volgen, waarna zij tot de hiervoor in 2.4 weergegeven beslissingen is gekomen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank. Kort samengevat is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte deskundige Van Dijk heeft gevolgd. Deze deskundige heeft de werknemer niet gezien en heeft bovendien aangegeven dat hij behalve de resultaten van een fietstest over onvoldoende gegevens heeft beschikt. Voor een juiste beoordeling van het totaalbeeld dient daarom meer waarde te worden gehecht aan de standpunten van de twee verzekeringsartsen die de werknemer rond en kort na de datum in geding hebben gezien. Deze artsen hebben duidelijk aangegeven dat de werknemer niet fulltime belastbaar was. Bezwaarverzekeringsarts Coehoorn heeft wel toegegeven dat over slaapapneu eerst in 2006, dus ruim na de data in geding, wordt gesproken, zodat eventuele daaruit voortkomende beperkingen buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Dat geldt echter niet voor de longaandoening. Deze had meegewogen moeten worden, zoals ook door de eerste door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van Düren is geschied.

3.2. Ter zitting heeft appellant tevens als beroepsgrond naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte een tweede deskundige voor het instellen van een onderzoek heeft benoemd, om reden zoals hiervoor in 2.2 weergegeven. Appellant stelt zich op het standpunt dat partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op het rapport van de deskundige Van Düren en dat de door de rechtbank in haar tussenbeslissing van 27 mei 2010 geformuleerde voorwaarde niet wordt gesteld in de genoemde Mantovanelli-uitspraak van het EHRM.

3.3. Namens betrokkene is naar voren gebracht dat de rechtbank terecht de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige Van Dijk heeft gevolgd. De door appellant voor het eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte beroepsgrond over de benoeming van deze tweede deskundige wordt door betrokkene in strijd met de goede procesorde geacht. Betrokkene heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Voorafgaand aan de zitting zijn partijen door de griffier van de Raad er over geïnformeerd dat ter zitting de - door de Raad ambtshalve te beoordelen - ontvankelijkheid van het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 januari 2001 aan de orde zou worden gesteld.

4.2. Appellant heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001 ten onrechte ontvankelijk is verklaard, nu betrokkene op de hoogte was van de ziekte van de werknemer, een besluit over de WAO-uitkering van de werknemer had mogen verwachten en het in de rede ligt dat er over 2003 en 2004 premie-besluiten zijn genomen, waaruit had kunnen worden opgemaakt dat aan de werknemer een WAO-uitkering was toegekend.

4.3. Betrokkene heeft aangevoerd dat het besluit van 24 januari 2001 is verzonden aan een niet bestaande B.V. en dat daarom niet aan haar kan worden tegengeworpen dat zij niet eerder dan in 2005 daartegen bezwaar heeft gemaakt.

4.4. Wat betreft de onjuiste tenaamstelling ([A. B.V.] in plaats van [B.V.]) in het besluit van 24 januari 2001 is de Raad van oordeel dat deze in dit geval niet anders kan worden begrepen dan te zijn een kennelijke verschrijving met als gevolg dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan over de identiteit van de geadresseerde. Niet in geschil is dat het besluit is verzonden naar het juiste adres. Evenmin is gebleken van problemen destijds met de postverzending. Derhalve dient te worden vastgesteld dat het eerst op 18 oktober 2005 gedateerde bezwaarschrift ruim na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001 is dan ook niet ontvankelijk.

4.5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellant in het bestreden besluit het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 januari 2001 niet-ontvankelijk had dienen te verklaren wegens termijnoverschrijding bij het maken daarvan. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001 gegrond is verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigen, het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001 niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5. De hiervoor in 3.2 weergegeven door appellant voor het eerst ter zitting naar voren gebrachte grond moet als tardief worden aangemerkt. Beginselen van een goede procesorde verzetten zich tegen een beoordeling daarvan. Beoordeling van deze grond vergt immers nader onderzoek. Niet is gebleken dat appellant die grond niet in een eerder stadium van de procedure had kunnen aanvoeren.

6.1. Met betrekking tot de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 10 maart 2003 stelt de Raad voorop, dat in een geval als het onderhavige, waarin de werkgever de mate van arbeidsongeschiktheid van een werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat appellant een besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig voorbereidt, goed onderbouwt en inzichtelijk motiveert.

6.2. De hiervoor in 3.1 samengevat weergegeven beroepsgrond van appellant slaagt niet. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding om het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van Dijk niet te volgen. Ook naar het oordeel van de Raad zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het in vaste rechtspraak verankerde uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. De Raad verenigt zich met de daarover in de aangevallen uitspraak door de rechtbank geformuleerde overwegingen 3.2 tot en met 3.3, zoals hiervoor in 2.5 samengevat weergegeven. Daarbij heeft ook de Raad uitdrukkelijk meegewogen dat deze deskundige kennis heeft genomen van alle omtrent de werknemer beschikbare medische gegevens en rapporten, waaronder die van de behandelend cardioloog, internist, longarts en chirurg alsmede het op verzoek van betrokkene opgestelde rapport van de cardioloog dr. P.J. Senden van 13 oktober 2010. Het enkele feit dat de bezwaarverzekeringsarts het oneens is (en blijft) met inhoud en conclusie van de deskundige is niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.

6.3. Vastgesteld moet dan ook worden dat appellant jegens betrokkene niet heeft voldaan aan de hiervoor in 6.1 gestelde norm met betrekking tot de onderbouwing en motivering van het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 10 maart 2003. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant dus niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

7. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten bedrage van € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betreffende dat onderdeel van het bestreden besluit waarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) G.J. van Gendt.

TM