Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
10-6422 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY9295, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering, omdat betrokkene als dga niet verzekerd is op grond van deze wet.

Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag op welke wijze het bepaalde in art. 2, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling dient te worden begrepen en toegepast. Met name is aan de orde het antwoord op de vraag of dit artikelonderdeel ziet op de situatie als in geding, waarin de bestuurder tezamen met de in dat artikelonderdeel bedoelde bloed- of aanverwanten ten minste twee derde deel van de aandelen houdt of dat dit artikel slechts ziet op de situatie dat tenminste twee derde van de aandelen worden gehouden door de bloed- of aanverwanten van de bestuurder, waarbij het bezit van aandelen door de bestuurder niet van belang is.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene tezamen met zijn bloed- of aanverwanten bedoeld in art. 2, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling meer dan tweederde van de aandelen hield. Evenmin is in geschil dat de bloed- of aanverwanten van betrokkene niet tenminste tweederde van de aandelen hielden.

Nu toepassing is gegeven aan art. 6, lid 4 WW, moet de in art. 2 van de Regeling neergelegde opsomming gezien worden als uitputtend. In art. 2, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling is bepaald dat ook de bestuurder van de vennootschap waarvan tenminste tweederde deel van de aandelen wordt gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad als directeur-grootaandeelhouder wordt aangemerkt. Dit artikelonderdeel bepaalt naar zijn bewoordingen uitsluitend dat onder directeur-grootaandeelhouder, als bedoeld, moet worden verstaan, de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. In het bijzonder blijkt uit deze bepaling niet dat de regelgever bij het redigeren van deze bepaling ook het oog heeft gehad op een bestuurder die tezamen met zijn bloed- of aanverwanten tenminste tweederde deel van de aandelen houdt. Volgens de toelichting bij de Regeling wordt met de Regeling zoveel mogelijk aangesloten bij de richtlijnen van de FBV. Hieruit leidt appellant af dat de regelgever wel het oog heeft gehad op laatst bedoelde situatie. Wat van die stelling zij, gezien de duidelijke bewoordingen van de bedoelde bepaling, kan daaraan op grond van de toelichting bij de Regeling geen andere betekenis worden verleend.

Aangevallen uitspraak bevestigd. Nu tegen deze uitspraak cassatie mogelijk is, is voor het toepassen van een zogenoemde bestuurlijke lus ter finale beslechting van het geschil geen plaats.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 6
Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1275
RSV 2012/159
USZ 2012/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6422 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 28 oktober 2010, 09/2391 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2011. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Betrokkene is niet verschenen.

Het onderzoek is heropend.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 24 februari 2012. Daartoe ambtshalve opgeroepen zijn partijen verschenen, het Uwv bij gemachtigde mr. E.M.C. Beijen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft appellant, beslissend op bezwaar zijn besluit gehandhaafd om betrokkene per 1 maart 2010 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) te weigeren, omdat betrokkene als directeur-grootaandeelhouder van [BV] niet verzekerd is op grond van deze wet. Appellant heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (Regeling). Appellant heeft een situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling aanwezig geacht nu betrokkene samen met zijn dochter 74% van de aandelen van de BV bezat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 augustus 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de Regeling. De Regeling, met name het daarin in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalde, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte de aandelen in de vennootschap van betrokkene en zijn dochter samen te tellen als door appellant is gedaan.

3.1. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank vermeld in overweging 2 bestreden. Appellant heeft erop gewezen dat reeds in een verder verleden is gepoogd duidelijkheid te verschaffen over de verzekeringsplicht van een directeur-grootaandeelhouder in een zogenoemde familie-BV. Hiertoe zijn door de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) richtlijnen opgesteld, neergelegd in de Circulaire van de Federatie van Bedrijfsverenigingen nr. C93.07 van 16 juli 1993 (Circulaire). In de vierde richtlijn in de Circulaire was opgenomen dat niet verzekerd is de directeur van een NV/BV, waarvan de aandelen in overwegende meerderheid (ten minste 2/3) in handen zijn van hem/haarzelf en/of zijn/haar familieleden tot en met de derde graad. Met de Regeling is niet beoogd, zoals in de toelichting uitdrukkelijk is vermeld, om ten opzichte van de in de Circulaire opgenomen richtlijnen inhoudelijke wijzigingen door te voeren. Naar de mening van appellant dient de Regeling dan ook te worden begrepen en uitgelegd mede met inachtneming van hetgeen in de Circulaire was neergelegd.

3.2. Appellant heeft er voorts op gewezen dat de door de rechtbank gegeven uitleg van de Regeling eraan voorbij gaat dat voor het antwoord op de vraag of in een familie-BV tussen de algemene vergadering van aandeelhouders en de bestuurder een gezagsverhouding aanwezig is, het totaal van het aandelenbezit van bestuurder en de bloed- en aanverwanten van belang is en niet de onderlinge verdeling van die aandelen.

4. De Raad overweegt ter beoordeling van de aangevallen uitspraak als volgt.

4.1. Desgevraagd heeft appellant ter zitting van 24 februari 2012 gesteld dat het besluit van 24 augustus 2009 niet berust op de grond dat betrokkene niet als werknemer wordt beschouwd in zin van artikel 3 van de WW, omdat er ten tijde hier van belang geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen betrokkene en de BV wegens het ontbreken van een gezagsverhouding tussen de BV en betrokkene. Derhalve ligt uitsluitend de vraag voor of betrokkene dient te worden beschouwd als directeur-grootaandeelhouden in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW, in verbinding met artikel 2 van de Regeling.

4.2. Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

4.2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van een persoon die directeur-grootaandeelhouder is.

4.2.2. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de WW worden regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder wordt verstaan. Deze regels zijn gesteld bij de Regeling.

4.2.3. Artikel 2 van de Regeling luidt als volgt:

“-1. Onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Ziektewet, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet en artikel 3:17, tweede lid, van de Wet arbeid en zorg, wordt verstaan:

a. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen;

b. de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van een zodanig aantal aandelen dat, indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of tot ontslag van deze bestuurder slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in de algemene vergadering van de vennootschap, de overige aandeelhouders niet over deze versterkte meerderheid beschikken;

c. bestuurders die in de algemene vergadering van de vennootschap allen een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen kunnen uitbrengen; of

d. de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.

-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die zeggenschap heeft in de algemene vergadering van de vennootschap door tussenkomst van een rechtspersoon.”

4.3. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag op welke wijze het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dient te worden begrepen en toegepast. Met name is aan de orde het antwoord op de vraag of dit artikelonderdeel ziet op de situatie als in geding, waarin de bestuurder tezamen met de in dat artikelonderdeel bedoelde bloed- of aanverwanten ten minste twee derde deel van de aandelen houdt of dat dit artikel slechts ziet op de situatie dat tenminste twee derde van de aandelen worden gehouden door de bloed- of aanverwanten van de bestuurder, waarbij het bezit van aandelen door de bestuurder niet van belang is.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene tezamen met zijn bloed- of aanverwanten bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling meer dan tweederde van de aandelen hield. Evenmin is in geschil dat de bloed- of aanverwanten van betrokkene niet tenminste tweederde van de aandelen hielden.

4.5. Nu toepassing is gegeven aan artikel 6, vierde lid, van de WW, moet de in artikel 2 van de Regeling neergelegde opsomming gezien worden als uitputtend. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling is bepaald dat ook de bestuurder van de vennootschap waarvan tenminste tweederde deel van de aandelen wordt gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad als directeur-grootaandeelhouder wordt aangemerkt. Dit artikelonderdeel bepaalt naar zijn bewoordingen uitsluitend dat onder directeur-grootaandeelhouder, als bedoeld, moet worden verstaan, de bestuurder van een vennootschap waarvan ten minste tweederde deel van de aandelen worden gehouden door zijn bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. In het bijzonder blijkt uit deze bepaling niet dat de regelgever bij het redigeren van deze bepaling ook het oog heeft gehad op een bestuurder die tezamen met zijn bloed- of aanverwanten tenminste tweederde deel van de aandelen houdt. Volgens de toelichting bij de Regeling wordt met de Regeling zoveel mogelijk aangesloten bij de richtlijnen van de FBV. Hieruit leidt appellant af dat de regelgever wel het oog heeft gehad op laatst bedoelde situatie. Wat van die stelling zij, gezien de duidelijke bewoordingen van de bedoelde bepaling, kan daaraan op grond van de toelichting bij de Regeling geen andere betekenis worden verleend.

4.6. Nu gelet op hetgeen is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.5 de rechtbank het besluit van 24 augustus 2009 terecht heeft vernietigd dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden bevestigd. Nu tegen deze uitspraak cassatie mogelijk is, is voor het toepassen van een zogenoemde bestuurlijke lus ter finale beslechting van het geschil geen plaats.

4.7. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. Die bedragen € 27,50 aan reiskosten van betrokkene in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 27,50 aan reiskosten;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 448,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) N.S.A. El Hana.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing inzake het begrip kring van verzekerden.

NW