Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
11-144 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Het Uwv heeft met recht geoordeeld dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/144 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2010, 10/526 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 2 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Voormelde gemachtigde heeft bij brief van 21 februari 2012 nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellante was, bijgestaan door voormelde gemachtigde, aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als tuinbouwmedewerker, heeft zich op 21 oktober 2008 ziek gemeld in verband met arm- en oorklachten alsmede klachten van psychische aard. Aan haar is terzake een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 22 januari 2009 is haar per 26 januari 2009 verdere uitkering ingevolge de ZW geweigerd, omdat zij geschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Het door haar tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 april 2009 ongegrond verklaard. Het tegen laatstbedoeld besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2009, 09/3608, niet-ontvankelijk verklaard in verband met het overschrijden van de beroepstermijn. Het daartegen ingestelde verzet is bij uitspraak van de rechtbank van 11 januari 2010 ongegrond verklaard.

2. Namens appellante is het Uwv bij brief van 7 september 2009 verzocht om herziening van de hersteldverklaring per 26 januari 2009. Bij besluit van 20 november 2009 is dit verzoek afgewezen, waarbij is overwogen dat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat voorzover er sprake zou zijn van een gewijzigde medische situatie, deze dateert van na de datum in geding. Daarbij is tevens gewezen op het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursecht (Awb). Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na rapportage door F.L. van Duijn, bezwaarverzekeringsarts, heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 28 december 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

3. Het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, verkort weergegeven, allereerst overwogen dat hier sprake is van een rechtens onaantastbaar geworden besluit, zodat ingevolge artikel 4:6 van de Awb primair slechts de vraag voorligt of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als in dit artikel bedoeld. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld, dat de in beroep overgelegde medische rapporten dateren van na de datum in geding. Hetgeen daarin naar voren komt was ook al aan de orde bij de beoordeling met betrekking tot de datum in geding, dat wil zeggen de in deze stukken genoemde klachten waren ook toen reeds aan de orde. Bovendien kan een nieuwe of andere diagnose als oorzaak voor een reeds bekende aandoening niet worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb.

4. Namens appellante is in hoger beroep gewezen op brieven van 30 maart 2009 en 18 mei 2009 waarin wordt gesproken over ernstige oorklachten en over de psychische problemen van appellante. De verzekeringsartsen hadden bij de primaire beoordeling verder moeten doorvragen en hebben de ernst van haar klachten schromelijk onderschat.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad merkt vooraf op, dat het gegeven dat het Uwv na de brief van appellante van 7 september 2009 primair is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling niet de weg opent naar een toetsing als ware het een beoordeling van een oorspronkelijk besluit. Vervolgens moet worden opgemerkt dat de door appellante genoemde klachten - het oorsuizen en de armklachten alsmede de psychische klachten -, zoals ook de rechtbank heeft geconstateerd, al bekend waren bij en zijn meegenomen in het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts voorafgaand aan het besluit van 7 april 2009, waarbij het bezwaar tegen de hersteldverklaring per 26 januari 2009 ongegrond is verklaard. De bezwaarverzekeringsarts had blijkens zijn rapport van 3 april 2009 de beschikking over de brief van het MCH Haaglanden van 30 maart 2009, waarin wordt gesproken van ernstige tinnitusklachten - in dit rapport wordt uitgelegd waarom deze niet doorslaggevend worden geacht. Ook vermeldt hij dat aan de armen geen evidente afwijkingen zijn gevonden. De verzekeringsarts die appellante voorafgaand aan het primaire besluit inzake de arbeidsgeshiktheid per 26 januari 2009 heeft onderzocht, heeft gesteld dat geen sprake was van ernstige psychopathologie. Appellante heeft zich in beroep beroepen op een brief van 18 mei 2009 van Effatha Guyot audiologische centra, maar deze is afkomstig van een maatschappelijk werker (dus geen arts). De melding van spoedeisende hulp en de brief van 15 september 2009 van K. Aziz, psycholoog verbonden aan i-psy, betreffen een situatie die (ruim) na de datum in geding is ontstaan. Voor het overige heeft appellante alleen argumenten aangevoerd tegen de oorspronkelijke beoordeling van haar medische situatie die in het destijds aanhangig gemaakte beroep (ware het niet niet-ontvankelijk verklaard) aangevoerd hadden kunnen worden. Het Uwv heeft dan ook met recht geoordeeld dat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als eerder bedoeld.

5.3. Hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om één der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012.

(get.) J. Riphagen.

(get.) K.E. Haan.

EK