Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW5106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
10-1825 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand op de grond dat appellant beschikt of kan beschikken over een te hoog vermogen. Een daaraan voorafgaand besluit tot intrekking van de bijstand is door een uitspraak van de Raad van 27 05 2008, 07/5127 WWB en 07/6240 WWB (LJN: BD3727) in rechte onaantastbaar geworden. Appellant vraagt in hoger beroep herziening van deze uitspraak. De Raad overweegt dat voor herziening van een uitspraak met toepassing van art. 8:88 Awb in een procedure in hoger beroep als deze geen plaats is. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de uitspraak van de Raad in rechte onaantastbaar is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2012-04-24
Wet werk en bijstand 50, geldigheid: 2012-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/144
JWWB 2012/81

Uitspraak

10/1825 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 februari 2010, 09/2766 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. L.J. de Rijke, advocaat, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Rijke. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf 29 juli 2000 bijstand ontvangen in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek op zijn woning [adres]. Vanaf 1 augustus 2004 geschiedde dit op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 1 juli 2006 op de grond dat appellant over voldoende middelen beschikte door uitkering van een levensverzekering, die voor een deel was benut om de hypotheekschuld af te lossen en die voor een bedrag van € 20.000,-- op de rekening van appellant was overgemaakt. Daarbij heeft het college vastgesteld dat het tot een bedrag van € 64.319,09 te vorderen heeft van appellant als verstrekte leenbijstand. Door de uitspraak van de Raad van 27 mei 2008, LJN BD3727, is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden. Daarbij heeft de Raad overwogen dat, indien in een woning gebonden vermogen liquide wordt gemaakt, die liquide middelen kunnen worden aangewend om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat daaraan niet af doet dat appellant het bedrag van € 20.000,-- terugbetaald heeft aan de verzekeraar en daarmee zijn hypotheekschuld volledig heeft afgelost.

1.2. Op 30 juli 2008 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijstand met ingang van 1 juli 2006. Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft het college die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant beschikt of kan beschikken over een te hoog vermogen. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat de eigen woning van appellant een overwaarde heeft van € 200.100,--, dat daarop geen hypotheek rust en dat de positieve vermogensbestanddelen van appellant de negatieve overstijgen. Daarbij heeft het college meegedeeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 50, eerste lid, van de WWB, in redelijkheid van appellant kan worden verlangd dat hij het in de woning gebonden vermogen te gelde maakt of bezwaart.

1.3. Bij besluit van 27 april 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat de waarde van de woning van appellant de voor hem geldende vermogensgrens ruimschoots overschrijdt en dat appellant niet heeft aangetoond waarom hij de woning niet te gelde kan maken en hij zich evenmin serieus heeft ingespannen om een geldlening onder verband van hypotheek te verkrijgen. Daaraan heeft het college toegevoegd dat appellant zich niet heeft laten inschrijven als woningzoekende. Voorts heeft het college overwogen dat appellant onvoldoende informatie heeft verschaft over de wijze waarop hij sinds de intrekking van de bijstand in zijn bestaan heeft kunnen voorzien, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij vraagt om herziening van de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad in verband met de op grond van dwaling vernietigde leenovereenkomst ten bedrage van € 20.000,--. Dit vormt tevens een bijzondere omstandigheid om de bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Appellant heeft steeds de gevraagde informatie verstrekt. Vragen over een ver verleden hoefde hij niet te beantwoorden. De hoogte van de schuld uit de voorafgaande verstrekking van leenbijstand is in geschil. Het is onmogelijk om zonder inkomen een krediethypotheek te verkrijgen. De rechtbank heeft ten slotte niet beslist op de beroepsgrond dat een kenbare afweging in verband met artikel 50, eerste lid, van de WWB in de besluitvorming ontbreekt. Appellant betoogt dat hij op grond van het beleid van het college dan wel in verband met de eerdere verlening van bijstand, weer recht heeft op leenbijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor herziening van een uitspraak met toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een procedure in hoger beroep als deze geen plaats. Daarom moet er hier van worden uitgegaan dat de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad in rechte onaantastbaar is.

4.2. De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt de periode vanaf de datum met ingang waarvan om bijstand wordt gevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 juli 2006 tot en met 7 augustus 2008. Gelet op hetgeen onder 1.1 is vastgesteld is het aangewezen om bij de beoordeling een onderscheid te maken tussen de reeds beoordeelde periode van 1 juli 2006 tot en met 25 juli 2006 (eerste periode) en de periode van 26 juli 2006 tot en met 7 augustus 2008 (tweede periode). De rechtbank heeft niet onderkend dat de toetsing door de bestuursrechter ten aanzien van de eerste periode beperkt is, zoals in 4.3.2 is weergegeven, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 27 april 2009 beoordelen met inachtneming van het onderscheid tussen de eerste en tweede periode.

Eerste periode

4.3.1. Door de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad is het besluit tot intrekking over de eerste periode in rechte onaantastbaar geworden. De aanvraag strekt ertoe dat het college van dit eerdere besluit terugkomt, voor zover het ziet op de eerste periode. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college de te beoordelen periode in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter - ook voor de eerste periode - niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.3.2 Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een rechterlijke toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3.3. Bij zijn aanvraag om bijstand heeft appellant als reden voor de ingangsdatum per 1 juli 2006 onder verwijzing naar de onder 1.1 genoemde procedure gemeld dat de bijstand ten onrechte met ingang van 1 juli 2006 is ingetrokken, dat zijn financiële situatie niet is veranderd en dat hij nog steeds geen inkomen heeft. Dit zijn echter geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten aanzien de eerste periode, aangezien deze omstandigheden in de onder 1.1 genoemde procedure aan de orde zijn geweest. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat appellant het meergenoemde bedrag van € 20.000,-- aan de verzekeraar had terugbetaald. Dit brengt mee dat de afwijzing van de aanvraag over de periode van 1 juli 2006 tot en met 25 juli 2006 reeds hierom in stand blijft.

Tweede periode

4.4. Het bestreden besluit berust op twee grondslagen, namelijk dat het recht op bijstand door schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen, en voorts dat dat recht wel kan worden vastgesteld, namelijk op nul, omdat appellant te veel vermogen heeft. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat die laatste grond primair aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.

4.5.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid van de WWB heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ingevolge het tweede lid heeft die bijstand de vorm van een geldlening indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover algemene bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, en voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.

4.5.2. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is het volgende opgemerkt:

“Onder tegeldemaking van de woning wordt verstaan de verkoop van de woning. Onder «bezwaring» wordt verstaan het afsluiten van een eerste hypotheeklening en onder «verdere bezwaring» het afsluiten van een tweede of volgende lening onder verband van hypotheek. Zowel tegeldemaking als bezwaring of verdere bezwaring hebben tot doel middelen vrij te spelen die kunnen worden aangewend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Op de vraag wat onder «in redelijkheid» moet worden verstaan, kunnen bij afweging hiervan door gemeenten onder meer de volgende elementen worden betrokken: het inkomen van de belanghebbende in het verleden, de verwachte inkomenspositie in de nabije toekomst, de overwaarde van de woning, de beschikbaarheid van andere geschikte woonruimte, de courantheid van het object, de grootte van het gezin in relatie tot de grootte van het huis.” (Kamerstukken I 2003/04, 28 870 en 28 960, nr. B, blz. 35)

4.5.3. Niet in geschil is dat appellant in de periode in geding eigenaar was van een woning waarvan de waarde, verminderd met de schulden, het vrij te laten vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf ruimschoots overschreed.

4.5.4. Het college heeft te kennen gegeven dat geen beleid is geformuleerd met betrekking tot de toepassing van artikel 50, eerste lid, WWB. De Raad is van oordeel dat, anders dan appellant veronderstelt, in de toelichting op de Beleidsregels terugvordering een dergelijk beleid niet is opgenomen, waar staat dat de gemeente in een beperkt aantal situaties verplicht is leenbijstand te verstrekken, bijvoorbeeld als er sprake is van het bewonen van een eigen woning. Het gaat in deze toelichting immers slechts om voorbeelden van gevallen waarin de bevoegdheid tot het verlangen van zekerheid voor leenbijstand kan worden gevraagd. Bij gebreke aan beleid op dit punt is het college op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb gehouden een op het geval van appellant afgestemde belangenafweging te maken met betrekking tot de uitoefening van deze bevoegdheid en dat in zijn besluitvorming tot uitdrukking te laten komen.

4.5.5. Het college kon in redelijkheid van appellant vergen dat hij probeert om bij een financiële instelling zijn woning met hypotheek te bezwaren en met de daarmee geleende gelden in zijn onderhoud te voorzien. Daarbij is van belang dat de woning van appellant onbezwaard was en dat het college door de eerdere verstrekking van leenbijstand een aanmerkelijk bedrag van appellant te vorderen had (vgl. de uitspraak van de Raad van 22 april 2008, LJN BD0980).

4.5.6. Anders dan het college betoogt, heeft appellant wel aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is bij financiële instellingen geld te lenen onder hypothecair verband. Appellant heeft vele afwijzingen van aanvragen overgelegd. Die passen bij het feit van algemene bekendheid dat financiële instellingen zeer terughoudend zijn met het verstrekken van kredieten, ook onder hypothecair verband, indien er geen inkomen is waaruit rente- en aflossingsverplichtingen betaald kunnen worden. In zoverre kan de motivering het bestreden besluit niet dragen.

4.5.7. Appellant betoogt in hoger beroep terecht dat in het bestreden besluit een op zijn geval toegespitste motivering ontbreekt ten aanzien van de vraag of en waarom van hem in redelijkheid gevergd kan worden dat hij zijn woning verkoopt.

4.6. Uit hetgeen onder 4.5.1 tot en met 4.5.7 is overwogen vloeit voort dat de primaire grondslag van het bestreden besluit niet gedragen wordt door een toereikende motivering. Daarom komt de Raad toe aan de vraag of het bestreden besluit op de subsidiaire grondslag standhoudt in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

4.7.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Naar vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2009, LJN BJ5187, is het voor de beoordeling van het recht op bijstand als regel tevens noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie van de belanghebbende in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode.

4.7.2. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.7.3. Na de hoorzitting in bezwaar op 29 september 2008 heeft het college bij brief van 1 december 2008 appellant uitgenodigd voor een gesprek op 12 december 2008. Daarbij is meegedeeld dat het college een nader onderzoek verricht naar het mogelijk recht op bijstand van appellant. Verder heeft het college in deze brief appellant verzocht een groot aantal stukken mee te nemen naar dit gesprek. Het betreft onder meer afschriften en opheffingsbewijzen van bankrekeningen, verklaringen voor stortingen in contanten op bankrekeningen en verklaringen omtrent de door een broer en de verzekeraar verleende kredieten, elk tot een bedrag van € 20.000,--. Verder heeft het college gevraagd om stukken met een verklaring waarom in een artikel van ‘[naam tijdschrift]’ uit 2006 appellant wordt genoemd als eigenaar van de afgebeelde racewagen en waarin wordt verwezen naar een zakelijke relatie tussen appellant en een bepaald bedrijf, een verklaring hoe appellant autoracen financiert, waar hij racet, bij of voor wie hij de autoraces doet en welke inkomsten hij hieruit genereert, als ook waarom het noodzakelijk was dat appellant in april 2008 in Kazachstan was, welke zakelijke activiteiten zijn ontplooid, wat zijn rol is, welke ondernemingen zijn gestart en op wiens naam die staan.

4.7.4. Bij brief van 5 januari 2009 heeft mr. De Rijke namens appellant gereageerd op het verzoek om de onder 4.7.2 genoemde stukken over te leggen. Daarbij zijn geen stukken overgelegd. Mr. De Rijke heeft in deze brief geantwoord dat de relevante stukken al zijn overgelegd en dat de vraag naar bepaalde stukken niet opportuun is, omdat die betrekking hebben op een periode “die nog onder de rechter is”. Nadien heeft op 12 januari 2009 een tweede hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden.

4.7.5. De gevraagde stukken betreffen gegevens die van belang zijn voor vaststelling van het recht op bijstand. Het ging het college immers om de vraag of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en de vraag hoe hij voorafgaand aan de bijstandsaanvraag zonder inkomsten in zijn levensonderhoud had voorzien, in het bijzonder in het licht van de onder 4.7.3 genoemde, en door appellant niet bestreden activiteiten.

4.7.6. Door de gevraagde stukken niet over te leggen en de daarmee samenhangende vragen niet volledig te beantwoorden, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ook in hoger beroep heeft appellant nagelaten alle gevraagde stukken over te leggen en die vragen te beantwoorden. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellant in de tweede periode niet is vast te stellen.

4.8. Hetgeen onder 4.3.1 tot en met 4.7.6 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) E. Heemsbergen.

HD