Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
11-7313 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Schadevergoeding en vergoeding kosten in bezwaar. Appellant heeft niet aangetoond dat ten gevolge van het vernietigde bestreden besluit sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon. Dat sprake is van aantasting van eer en goede naam is evenmin aangetoond. De rechtbank heeft ten onrechte geen veroordeling uitgesproken tot vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar. Nu het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard omdat de minister het verleende ontslag had ingetrokken, is sprake van een situatie die tot vergoeding van de kosten van bezwaar behoort te leiden. Vernietiging aangevallen uitspraak is zoverre.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7313 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de (voorzieningenrechter van de) rechtbank ’s-Gravenhage van 7 november 2011, 11/7095 en 11/7096 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 26 april 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant was vertegenwoordigd door mr. W.E. Louwerse en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2011, LJN BQ1548. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Aan appellant, korporaal bij de Koninklijke luchtmacht, is bij besluit van 14 maart 2011 per 1 april 2011 ontslag verleend wegens wangedrag bestaande uit het in het bezit hebben van softdrugs in diensttijd. Dit besluit is bij de hiervoor vermelde uitspraak van 31 maart 2011 geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Bij brief van 19 april 2011 is appellant meegedeeld dat het verleende ontslag naar aanleiding van die uitspraak is ingetrokken. Bij brief van 25 mei 2011 is aan appellant meegedeeld dat de brief van 19 april 2011 op een fout berust, dat het ontslag niet definitief ongedaan is gemaakt en is excuus aangeboden voor de verwarring. Bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2011 (bestreden besluit) is het besluit van 14 maart 2011 gehandhaafd. Op 10 oktober 2011 is aan appellant ter uitvoering van het bestreden besluit ontslag verleend met ingang van 13 oktober 2011, zes weken na de beslissing op bezwaar. Deze brief is op 17 oktober 2011 ingetrokken met vermelding dat de inhoud daarvan niet juist is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat de brief van 19 april 2011 een weloverwogen besluit is en geen foute administratieve handeling, waarbij zonder enig voorbehoud teruggekomen wordt op het eerder verleende ontslag. De intrekking van die brief, gedaan bij brief van 25 mei 2011, acht de rechtbank in strijd met de rechtszekerheid en daarmee onbevoegd gedaan. Aangezien het ontslagbesluit dus uit de wereld was, had de minister het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Gelet op dit oordeel heeft de rechtbank bespreking van de gronden die zijn aangevoerd tegen het bestreden besluit en de brieven van 10 en 17 oktober 2011 niet meer nodig geacht. De rechtbank heeft een proceskostenveroordeling uitgesproken met betrekking tot de behandeling van het beroep en het verzoek van appellant om toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade (in verband met de trage besluitvorming en de daaruit voortvloeiende onzekerheid over zijn rechtspositie) afgewezen. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en, zelf voorziend, het bezwaar van 21 maart 2011 alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3.1. Appellant is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van zijn verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft opnieuw om schadevergoeding verzocht. Appellant heeft voorts gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen veroordeling van de kosten in bezwaar heeft uitgesproken en aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de wegingsfactor gemiddeld als uitgangspunt heeft genomen, omdat het om een zware zaak gaat.

3.2. De minister heeft in de aangevallen uitspraak berust en appellant sinds begin januari 2012 weer tewerk gesteld, zij het dat hij is overgeplaatst van de vliegbasis [naam vliegbasis 1] naar [naam vliegbasis 2]. De minister heeft als verweer naar voren gebracht dat de gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient, maar dat geen aanleiding bestaat om appellant een schadevergoeding toe te kennen. Daarbij is erop gewezen dat hij terecht was ontslagen en het geluk heeft gehad dat hij enkel als gevolg van nadien gemaakte fouten in dienst is kunnen blijven. De minister acht de getroffen voorziening van 31 maart 2011 onjuist en heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 15 maart 2012, LJN BW0297, waaruit blijkt dat de Raad het oordeel van de voorzieningenrechter over het drugsbeleid niet onderschrijft.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ten aanzien van de gestelde immateriële schade heeft appellant de Raad er niet van kunnen overtuigen dat ten gevolge van het vernietigde bestreden besluit sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Gevoelens van onzekerheid of psychisch onbehagen zijn daarvoor niet voldoende en evenmin het feit dat appellant geld heeft moeten lenen bij zijn vader. Dat appellant zich onder dermatologische behandeling heeft moeten stellen maakt dat niet anders, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zijn klachten verband hielden met de gang van zaken rondom zijn ontslag.

Dat sprake is van aantasting van eer en goede naam als bedoeld in genoemd artikel is evenmin aangetoond. Het ontslag van appellant was slechts in kleine kring bekend en met de hernieuwde tewerkstelling is hem voldoende recht gedaan. Tot slot kan appellant geen recht op schadevergoeding ontlenen aan de overplaatsing naar [naam vliegbasis 2] (die hij als straf ervaart) nu hij die overplaatsing bewust niet heeft aangevochten.

4.2. De rechtbank heeft ten onrechte geen veroordeling uitgesproken tot vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar. Nu het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard omdat de minister het verleende ontslag had ingetrokken, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, die tot vergoeding van de kosten van bezwaar behoort te leiden. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking en de Raad zal de minister veroordelen in die kosten. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat een nadere hoorzitting is gehouden, hetgeen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in totaal 2,5 punten oplevert. De rechtbank heeft de zaak terecht aangemerkt als zijnde van gemiddeld gewicht. Anders dan namens appellant is betoogd is zijn zaak niet zeer ingewikkeld in verhouding tot andere zaken.

4.3. De Raad ziet voorts aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep wegens verleende rechtshulp. Deze worden begroot op € 874,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen vergoeding van de kosten van bezwaar is toegekend;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt de minister in de kosten van bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.966,50;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 227,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD