Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
10-1165 MAW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Het ongunstige resultaat van de medische ingreep en de noodzaak van een hersteloperatie zijn toe te schrijven aan onrechtmatig medisch handelen waarvoor de minister jegens appellant aansprakelijk is. Het bestreden besluit, waarbij de minister aansprakelijkheid heeft afgewezen, berust dan ook op een ondeugdelijke motivering. De minister krijgt de opdracht om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1271
TAR 2012/115
O&A 2012/71
ABkort 2012/175

Uitspraak

10/1165 MAW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 januari 2010, 08/8629 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2012. Appellant is verschenen met bijstand van mr. H.G.M. van Dijk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen.

II. OVERWEGINGEN

1. In verband met een herverdeling van taken wordt thans de Minister van Defensie als procespartij aangemerkt. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

2.1. Appellant heeft in verband met een huidaandoening op 8 augustus 2006 in het Centraal Militair Hospitaal te Utrecht een volledige circumcisie (besnijdenis) ondergaan. Omdat hij niet tevreden was met het resultaat, heeft hij zich in november 2006 onder behandeling gesteld van urologen verbonden aan het Jeroen Bosch Ziekenhuis te

’s-Hertogenbosch. Daar is op 7 mei 2007 een hersteloperatie uitgevoerd, die volledig is geslaagd.

2.2. Bij brieven van 2 februari 2007 en 25 juni 2007 heeft appellant de minister aansprakelijk gesteld voor de zijns inziens onjuiste uitvoering van de oorspronkelijke ingreep en verzocht om vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade.

2.3. Bij besluit van 28 maart 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2008 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe is - samengevat - overwogen dat niet is gebleken van een als onrechtmatige gedraging aan te merken medische fout.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Het betreft hier het beweerdelijk onrechtmatig handelen van een onder het gezag van de minister vallende militaire arts. Daarvoor geldt de aansprakelijkheidsnorm die door de Raad is geformuleerd in zijn uitspraak van 25 oktober 2001 (LJN AD6369, TAR 2002, 21). Terecht heeft de rechtbank als toetsingsmaatstaf genomen of de artsen die de eerste ingreep hebben uitgevoerd appellant hebben begeleid en behandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht (CRvB 29 september 2005, LJN AU3861, TAR 2006, 17).

4.2. De rechtbank heeft, onder uitvoerige verwijzing naar de zich in het dossier bevindende medische rapporten, niet tot het oordeel kunnen komen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. In hoger beroep heeft appellant nog een rapport overgelegd van de uroloog prof. dr. Ph.E.V. van Kerrebroeck, verbonden aan het academisch ziekenhuis Maastricht. De medisch adviseur van de minister heeft hierop gereageerd.

4.3. Alle thans beschikbare medische gegevens in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat de oorspronkelijke ingreep, in ieder geval wat betreft het overblijven van een uitsteeksel ter hoogte van de vroegere fixatie van het frenulum, niet aan de onder 4.1 bedoelde maatstaf heeft beantwoord. Uit het rapport van de uroloog dr. E.S.S. van den Aker, verbonden aan het Jeroen Bosch Ziekenhuis, komt naar voren dat het ging om een lelijk huidflapje, dat zeker mechanische problemen zou kunnen geven en dat bij de hersteloperatie is weggenomen. Van Kerrebroeck spreekt van een esthetisch en functioneel niet fraai resultaat, waarvoor een heringreep nodig is geweest. Volgens hem kan de aanwezigheid van resterende huid niet worden beschouwd als een complicatie van de oorspronkelijke ingreep, maar was dit eerder een bewuste keuze van de operateur. Met die keuze is Van Kerrebroeck het niet eens, en hij acht haar des te merkwaardiger nu appellant bij de intake had gevraagd om geen overtollige huid te laten zitten. In de door de minister overgelegde medische rapporten en het medische dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden om deze opvattingen van Van den Aker en Van Kerrebroeck voor onjuist te houden.

4.4. Met het vorenstaande is gegeven dat nog daargelaten de eveneens gestelde scheve afhechting en het laten zitten van overtollige voorhuid - het ongunstige resultaat van de eerste ingreep en de noodzaak van een hersteloperatie zijn toe te schrijven aan onrechtmatig medisch handelen waarvoor de minister jegens appellant aansprakelijk is. Het bestreden besluit, waarbij de minister aansprakelijkheid heeft afgewezen, berust dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op een ondeugdelijke motivering. Dit besluit komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.

4.5. Vanwege de ontkenning van iedere aansprakelijkheid is de minister ten onrechte niet toegekomen aan een beoordeling van de door appellant gestelde schadeposten. De Raad ziet aanleiding om de minister met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen dit aan het bestreden besluit klevende gebrek te herstellen door een nieuw besluit te nemen. Daartoe geeft de Raad nog de volgende aanwijzingen.

4.5.1. Bij het nemen van het herstelbesluit dient de minister uit te gaan van volledige aansprakelijkheid voor de schade die appellant heeft geleden als gevolg van de onjuist uitgevoerde eerste ingreep en de daardoor noodzakelijk geworden hersteloperatie.

4.5.2. De door appellant gevraagde vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.500, acht de Raad, gezien de aard en de ernst van het lichamelijk letsel en de verdere aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), op voorhand niet onaanvaardbaar.

4.5.3. De door appellant in de primaire besluitvormingsfase gemaakte kosten van de door hem ingebrachte rapporten van de arts Lustermans (ad € 1.535,50) komen op de voet van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Gelet op de medische aspecten van deze zaak, mocht appellant onderbouwing van het inleidend verzoek met een medisch deskundigenrapport redelijkerwijs noodzakelijk achten. De overige kosten van Lustermans en die van Van Kerrebroeck zal de Raad in zijn einduitspraak voor vergoeding in aanmerking brengen met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, als kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

4.5.4. Over de toe te kennen schadevergoeding dient wettelijke rente te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt de minister op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD