Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
10/5789 WIA + 11/2538 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering van 11 juli 2008 tot 11 maart 2010. Vaststelling dagloon aan de hand van de verdiensten van appellant bij drie verschillende werkgevers in het refertejaar. Verlenging WGA-uitkering tot 11 februari 2011.

Raad: Het Uwv heeft met toepassing van art. 13 Wet WIA het dagloon op de juiste wijze vastgesteld.

De Raad ziet steun voor het standpunt van het Uwv in art. 43 van de Wet WIA dat uitsluitingsgronden bevat voor de toepassing van deze wet. Op grond van hetgeen is bepaald in de aanhef en onder a, ten eerste, van dit artikel is het recht hebben op IVA- dan wel WGA-uitkering een uitsluitingsgrond. Doordat appellant 104 weken na zijn uitval op 21 mei 2007 al recht had op WGA-uitkering, is het ontstaan van een nieuw recht op WGA-uitkering uitgesloten. Appellant kan derhalve ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat een tweede refertejaar aan de orde is ten gevolge van zijn uitval op 21 mei 2007. In de Nota van Toelichting bij het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen Stb. 2005, 546 is vermeld: “Het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de Wet WIA en de WAO is gericht op de algemene ongeschiktheid voor werk. Bij de berekening van het WIA- en WAO-dagloon wordt daarom het loon uit alle dienstbetrekkingen in het refertejaar in aanmerking genomen.

Dit onderscheid tussen de dagloonvaststelling voor de ZW en WW enerzijds en voor de Wet WIA en de WAO anderzijds is van belang als de werknemer vóór het intreden van het verzekerde risico tegelijkertijd in meerdere dienstbetrekkingen stond, en het verzekerde risico in één daarvan optreedt. Gaat het om werkloosheid dan wordt gerekend met het loon uit de verloren gegane arbeidsverhouding. Gaat het om arbeidsongeschiktheid die in één van die dienstbetrekkingen optreedt dan zal bij een latere WIA-uitkering het dagloon worden gebaseerd op het loon uit alle tegelijkertijd uitgeoefende dienstbetrekkingen.”

Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op art. 62, lid 3 van de Wet WIA. De Raad stelt vast dat deze (garantie)bepaling uitdrukkelijk ziet op de situatie waarin recht ontstaat op een vervolguitkering. Deze geldt dus niet in de situatie van appellant die gedurende de periode van 104 weken ziekte bij zijn derde werkgever juist recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Voor analoge toepassing van deze bepaling in een situatie als die van appellant, waarin het loon uit de dienstbetrekking waarin de latere uitval plaats vond tussentijds is toegenomen, ziet de Raad geen ruimte gezien het duidelijke stelsel dat in de hier weergegeven regelgeving is neergelegd. De Raad komt, gelet op het wettelijke systeem, tot de conclusie dat in de onderhavige situatie slechts één recht op loongerelateerde WGA-uitkering en één refertejaar (en daarmee één dagloon) geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/153

Uitspraak

10/5789 WIA en 11/2538 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 13 september 2010, 09/1985 (aangevallen uitspraak 1) en 14 maart 2011, 10/2144 (aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van der Made, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 9 maart 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Made. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 11 juli 2008 tot 11 maart 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het dagloon is aan de hand van de verdiensten van appellant bij drie verschillende werkgevers in het refertejaar vastgesteld op € 82,41. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 juni 2009 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagloon correct is berekend, nu het loon dat appellant bij zijn derde werkgever in het refertejaar ontvangen heeft terecht bij de berekening daarvan is betrokken. Het Uwv heeft op het dagloon wel de inmiddels bekend geworden indexeringen toegepast en het dagloon nader vastgesteld op € 91,97.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het Uwv het recht van appellant op WGA-uikering verlengd tot 18 februari 2011 omdat appellant pas op 21 mei 2007 bij zijn derde werkgever is uitgevallen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 mei 2010 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge de Wet WIA slechts één recht op een uitkering is ontstaan en dat de uitval bij de derde werkgever, nadat deze 104 weken heeft geduurd, slechts van invloed is op de duur van de WGA-uitkering, maar niet op de hoogte van het dagloon dat aan deze uitkering ten grondslag ligt.

2.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat indien de verzekerde meer dan één dienstverband had in het refertejaar en hij (naderhand) in die dienstverbanden op verschillende tijdstippen is uitgevallen wegens ziekte, het refertejaar voor het dagloon wordt gebaseerd op de datum van de eerste uitval.

2.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit is gericht tegen de door het Uwv in het besluit gegeven informatie over de (aanspraken op) inkomsten van appellant bij zijn derde werkgever en de eventuele verrekening daarvan met zijn WGA-uitkering en heeft de rechtbank het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht het loon dat in het refertejaar is ontvangen uit alle drie de dienstbetrekkingen tesamen in de berekening van het dagloon heeft betrokken.

3. In hoger beroep heeft appellant, voor zover nog in geschil, in beide zaken het standpunt ingenomen dat het Uwv niet alleen de duur van de WGA-uitkering had moeten herberekenen, maar óók een tweede refertejaar had moeten vaststellen naar aanleiding van zijn tweede uitval op 21 mei 2007. In zijn situatie zou dit tot een hoger dagloon hebben geleid, aangezien hij in het jaar vóór zijn laatste uitval een hoger loon verdiende dan in het (referte)jaar dat voorafging aan zijn uitval op 14 juli 2006.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Artikel 13 van de Wet WIA luidt:

“Dagloon en maandloon

Begrip dagloon

1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2. (…)

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld ter bepaling van het dagloon ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van de vervolguitkering van de WGA-uitkering, bedoeld in artikel 62, derde lid.”

Aan het derde lid is toepassing gegeven in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit).

Artikel 3 van het Besluit luidt als volgt:

“Het dagloon

Bepaling dagloon

1. Het dagloon is de uitkomst van de volgende berekening:

((A - B - C) + D + E) / 261

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die titel in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor de bedragen die de werknemer in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar onder die titel heeft genoten aan uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris;

D staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft opgebouwd aan vakantiebijslag;

E staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C.

(…)”

Blijkens de bewoordingen van deze bepalingen heeft het Uwv het dagloon op de juiste wijze vastgesteld.

4.2. De Raad ziet steun voor het standpunt van het Uwv in artikel 43 van de Wet WIA dat uitsluitingsgronden bevat voor de toepassing van deze wet. Op grond van hetgeen is bepaald in de aanhef en onder a, ten eerste, van dit artikel is het recht hebben op IVA- dan wel WGA-uitkering een uitsluitingsgrond. Doordat appellant 104 weken na zijn uitval op 21 mei 2007 al recht had op WGA-uitkering, is het ontstaan van een nieuw recht op WGA-uitkering uitgesloten. Appellant kan derhalve ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat een tweede refertejaar aan de orde is ten gevolge van zijn uitval op

21 mei 2007. In de Nota van Toelichting bij het Besluit is vermeld:

“Het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de Wet WIA en de WAO is gericht op de algemene ongeschiktheid voor werk. Bij de berekening van het WIA- en WAO-dagloon wordt daarom het loon uit alle dienstbetrekkingen in het refertejaar in aanmerking genomen.

Dit onderscheid tussen de dagloonvaststelling voor de ZW en WW enerzijds en voor de Wet WIA en de WAO anderzijds is van belang als de werknemer vóór het intreden van het verzekerde risico tegelijkertijd in meerdere dienstbetrekkingen stond, en het verzekerde risico in één daarvan optreedt. Gaat het om werkloosheid dan wordt gerekend met het loon uit de verloren gegane arbeidsverhouding. Gaat het om arbeidsongeschiktheid die in één van die dienstbetrekkingen optreedt dan zal bij een latere WIA-uitkering het dagloon worden gebaseerd op het loon uit alle tegelijkertijd uitgeoefende dienstbetrekkingen.”.

4.3. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op artikel 62, derde lid, van de Wet WIA. De Raad stelt vast dat deze (garantie)bepaling uitdrukkelijk ziet op de situatie waarin recht ontstaat op een vervolguitkering. Deze geldt dus niet in de situatie van appellant die gedurende de periode van 104 weken ziekte bij zijn derde werkgever juist recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Voor analoge toepassing van deze bepaling in een situatie als die van appellant, waarin het loon uit de dienstbetrekking waarin de latere uitval plaats vond tussentijds is toegenomen, ziet de Raad geen ruimte gezien het duidelijke stelsel dat in de hier weergegeven regelgeving is neergelegd.

4.4. De Raad komt, gelet op het onder 4.1 tot en met 4.3 geschetste wettelijke systeem, tot de conclusie dat in de onderhavige situatie slechts één recht op loongerelateerde WGA-uitkering en één refertejaar (en daarmee één dagloon) geldt.

4.5. Appellants veronderstelling dat in bestreden besluit 1 het dagloon op andere wijze is berekend dan in het primaire besluit van 16 oktober 2008 berust op een verkeerde lezing. De Raad verwijst naar het bestreden besluit 1.

4.6. Evenmin slaagt de grief van appellant, dat het Uwv in beide bestreden besluiten ervan is uitgegaan dat het loon in zijn derde dienstverband vanaf 11 juli 2008 in mindering zal worden gebracht op de WGA-uitkering, en dat in beide aangevallen uitspraken ten onrechte is geoordeeld dat dit uitgangspunt niet vatbaar is voor beroep. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de vermelding van het Uwv van dit uitgangspunt een mededeling van feitelijke aard is en niet is gericht op enig rechtsgevolg en dat daarom in zoverre geen besluit voorligt in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Uwv dient ten aanzien van de toepassing van een korting een afzonderlijk besluit te nemen op grond van artikel 6, zesde lid, van het Inkomensbesluit WIA.

4.7. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot met 4.6 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR