Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
03-05-2012
Zaaknummer
09-5631 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De door de Raad ingeschakelde deskundige heeft zich kunnen verenigen met de functionele mogelijkheden zoals deze zijn vastgesteld door het Uwv. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante, rekening houdend met deze functionele beperkingen de door de arbeidskundige geselecteerde functies kon vervullen. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een tweede deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5631 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 september 2009, nr. 08/9127 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend

Namens appellante is daarop schriftelijk gereageerd.

Het Uwv heeft nadere rapporten toegezonden waarop namens appellante is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

Het onderzoek is heropend. De Raad heeft B.A. von Bargen, psychiater, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft een rapport gedateerd 1 juli 2011 uitgebracht aan de Raad.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op het deskundigenrapport.

De deskundige heeft een toelichting gedateerd 13 oktober 2011 aan de Raad toegezonden.

Het geding is nader behandeld ter zitting van 9 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 augustus 2008 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Bij besluit van 14 november 2008 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 14 november 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de verzekeringsgeneeskundige grondslag van dit besluit en heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom appellante de ten aanzien van haar in aanmerking genomen functies zou kunnen vervullen.

3.1 Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat het Uwv met betrekking tot de datum 12 augustus 2008 te weinig functionele beperkingen heeft vastgesteld. Appellante is van mening dat zij op deze datum volledig arbeidsongeschikt was.

3.2. Naar aanleiding van het aan de Raad uitgebrachte deskundigenrapport heeft appellante te kennen gegeven dat zij zich niet kan vinden in de daarin vermelde conclusies. Voorts heeft zij de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor het instellen van een nader onderzoek naar haar nek- en schouderklachten en hoofdpijn.

3.3. Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft het Uwv, onder verwijzing naar rapporten van zijn bezwaarverzekeringsarts, de Raad bericht zich te kunnen vinden in de daarin vermelde conclusies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd pleegt te worden. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dat uitgangspunt af te wijken is in dit geval niet gebleken.

4.2. Von Bargen heeft zich kunnen verenigen met de functionele mogelijkheden zoals deze met betrekking tot 12 augustus 2008 zijn vastgesteld door het Uwv. Daartoe heeft zij in aanmerking genomen dat bij appellante in augustus 2008 een posttraumatische stressstoornis, een pijnstoornis en een lichte depressieve stoornis aanwezig waren. Zij schrijft dat appellante door de wisselwerking van de posttraumatische stressstoornis en haar persoonlijkheidskenmerken bij tijden zal kunnen uitvallen in haar werk, maar voegt daaraan toe dat dit leidt tot tijdelijke en niet tot langdurige arbeidsongeschiktheid. Appellante was hierdoor volgens Von Bargen belastbaar volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst. Von Bargen heeft geconcludeerd dat appellante, rekening houdend met deze functionele beperkingen, op 12 augustus 2008 de door de arbeidskundige geselecteerde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, huishoudelijk medewerker gebouwen en productiemedewerker industrie kon vervullen.

4.3. Voor het raadplegen van een tweede deskundige (op orthopedisch of neurochirurgisch terrein zoals appellante heeft voorgesteld) ziet de Raad geen reden. Gezien de voor handen zijnde gegevens en de onderzoeksbevindingen van Von Bargen is er geen grondslag voor nader medisch onderzoek naar haar lichamelijke klachten. Overigens is appellante op de in geding zijnde datum al functioneel beperkt geacht voor het frequent zware lasten hanteren tijdens het werk en, meer in het algemeen, voor fysiek niet te belastend werk.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor juist moet worden gehouden. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR