Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4632

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
11-1282 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straffen. Plichtsverzuim. Niet is overtuigend gebleken dat betrokkene zich aan het hem verweten plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. De stukken waarop de resultaten van het handschriftonderzoek zijn gebaseerd tonen niet aan dat betrokkene in een zodanige mate bij de administratie van het bedrijf waarnaar strafrechtelijk onderzoek is gedaan betrokken was, dat zijn activiteiten het karakter van een zichtbare vorm van bemoeienis te boven zijn gegaan en als nevenwerkzaamheden zijn aan te merken. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1282 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Financiën (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2011, 10/295, (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)

Datum uitspraak: 26 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Pullens en A.H. Cohist MBA. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkgraaf.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is als groepsfunctionaris I werkzaam bij de Belastingdienst/Rivierenland.

1.2. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek bij het bedrijf van de schoonvader van betrokkene (bedrijf) heeft de FIOD in juli 2006 een inval gedaan in de echtelijke woning van betrokkene. De reden hiervan was dat de echtgenote van betrokkene als administratief medewerkster bij het bedrijf werkzaam was en dat een deel van de administratie van het bedrijf zich in de echtelijke woning bevond. De administratie werd in beslag genomen. Op 22 augustus 2006 is met betrokkene over die gang van zaken gesproken. Hierbij ontkende betrokkene via de administratie bemoeienis met het bedrijf te hebben (gehad). Betrokkene mocht weer aan het werk.

1.3. In februari 2007 heeft de FIOD aan het OM verzocht om toezending van enige schriftelijke stukken van de administratie van het bedrijf die bij het - intussen gestaakte - strafrechtelijk onderzoek waren gebruikt. Na ontvangst van de stukken werd vastgesteld dat tot die administratie enige stukken behoren, voorzien van aantekeningen die van de hand van betrokkene zouden kunnen zijn, al was er geen stuk aanwezig dat een directe relatie met betrokkene had. Op 2 november 2007 is hierover met betrokkene gesproken. Hij ontkende opnieuw bemoeienis met het bedrijf te hebben en verwierp de aantijging dat de handgeschreven aantekeningen van hem waren.

1.4. Nadat betrokkene in kennis was gesteld van het voornemen hem disciplinair te bestraffen, heeft appellant handschriftonderzoek laten verrichten door het landelijk team Falsificaten van de Douane. In overleg met betrokkene is vervolgens besloten tot een onderzoek door de forensisch handschriftonderzoekster K, die op 2 april 2008 heeft gerapporteerd.

1.5. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft appellant, in overeenstemming met het voornemen, betrokkene wegens plichtsverzuim op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder c, respectievelijk onder e, van het Algemeen rijksambtenarenreglement de straffen opgelegd van vermindering van 40 uur vakantie van het jaarlijks recht op vakantie, respectievelijk inhouding van het salaris tot een bedrag ter hoogte van een half maandsalaris. Als plichtsverzuim is in aanmerking genomen dat betrokkene enige bemoeienis heeft gehad met (de administratie van) het bedrijf, dat dit verboden nevenwerkzaamheden zijn en dat hij zich bij zijn voordurende ontkenning van die werkzaamheden niet open, niet transparant en niet zonder meer betrouwbaar heeft getoond.

1.6. Het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2009 is bij besluit van 4 januari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 17 maart 2009 herroepen. Hiertoe heeft zij samengevat overwogen dat de voorhanden gegevens tekort schieten voor de conclusie dat betrokkene nevenwerkzaamheden voor het bedrijf heeft verricht.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat voornamelijk met het rapport van K is onderbouwd dat betrokkene het hem verweten plichtsverzuim heeft gepleegd. Betrokkene heeft bepleit dat de Raad de aangevallen uitspraak bevestigt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank is er in haar oordeelsvorming terecht vanuit gegaan dat in het ambtenarentuchtrecht weliswaar niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, maar dat anderzijds ook voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.2. De kern van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim is, dat hij met betrekking tot de administratie van het bedrijf activiteiten heeft ontplooid die het karakter hebben van niet toelaatbare nevenwerkzaamheden, zoals - voor zover hiervan belang - het bijhouden van administraties/boekhoudingen van organisaties die onder bepaalde belastingregimes vallen en het voor derden invullen van aangiftebiljetten of het schrijven van processuele stukken.

4.3. De stukken die appellant in aanmerking heeft genomen, betreffen een kolommenbalans van het bedrijf over 2005, voorzien van enige handgeschreven aantekeningen, een lijst met namen en telefoonnummers van collega´s van betrokkene, en enkele algemene fiscale stukken al dan niet afkomstig van de belastingdienst die kunnen dienen voor een goed fiscaal bijhouden van de administratie/boekhouding van het bedrijf.

4.4. Zelfs als, op grond van de resultaten van de handschriftonderzoeken, kan worden aangenomen dat de handgeschreven opmerkingen op enige van die stukken van betrokkene afkomstig zijn, dan nog acht de Raad niet overtuigend gebleken dat betrokkene zich aan het hem verweten plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. De stukken tonen namelijk niet aan dat betrokkene in een zodanige mate bij de administratie van het bedrijf betrokken was, dat zijn activiteiten het karakter van een zichtbare vorm van bemoeienis te boven zijn gegaan en als nevenwerkzaamheden als vermeld in 4.2 zijn aan te merken.

4.5. Wat betreft het verwijt dat betrokkene over zijn bemoeienis onvoldoende transparant en open is geweest maakt de Raad uit hetgeen appellant desgevraagd ter zitting van de Raad heeft verklaard op, dat dit verwijt slechts in samenhang met het overige verweten gedrag als plichtsverzuim wordt aangemerkt. De Raad zal aan dit verwijt dan ook voorbij gaan.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op het bedrag van € 874,- voor kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.R. Schuurman.

HD