Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
10-1753 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft geen mededeling gedaan van de exploitatie van een hennepkwekerij in zijn woning, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het college heeft zich voor de vaststelling van de aanvangsdatum van de hennepkwekerij terecht gebaseerd op de bevindingen van de fraudespecialist en de politie. Appellant heeft de aanvangsdatum van de hennepexploitatie in zijn woning weliswaar bestreden, maar heeft geen concrete verifieerbare gegevens in het geding gebracht die op een latere aanvangsdatum wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1753 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 maart 2010, 09/6830 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Yousef, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yousef. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P. Valten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 3 maart 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 11 november 2008 tot 2 maart 2009 ingetrokken op de grond dat appellant gedurende die periode langer dan de toegestane vier weken in het buitenland heeft verbleven. Bij datzelfde besluit heeft het college tevens de kosten van bijstand over de periode van 11 november 2008 tot en met 30 november 2008 tot een bedrag van € 705,90 van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 20 april 2009 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 29 juli 2008 tot en met 10 november 2008 ingetrokken op de grond dat appellant geen mededeling heeft gedaan van de exploitatie van een hennepkwekerij in zijn woning, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Ook heeft het college de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 4.183,50 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 21 augustus 2009 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 maart 2009 in zoverre gegrond verklaard, dat ook aan de intrekking van de bijstand over de periode van 11 november 2008 tot en met 6 januari 2009 ten grondslag is gelegd dat appellant geen mededeling heeft gedaan van de exploitatie van de hennepkwekerij in zijn woning, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij het bestreden besluit heeft het college verder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt de intrekking en terugvordering over de periode van 29 juli 2008 tot en met 30 november 2008. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is dat de hennepkwekerij reeds op 29 juli 2008 is aangevangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft zich bij de vaststelling van de aanvangsdatum van de exploitatie van de hennepkwekerij op 29 juli 2008 gebaseerd op de rapportage van 13 januari 2009 van de fraudespecialist van Eneco (fraudespecialist) en de processen-verbaal van 22 februari 2009 van de politie Haaglanden (politie). In de rapportage van 13 januari 2009 heeft de fraudespecialist geconcludeerd dat in twee ruimtes van de woning twee volledige hennepoogsten van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van respectievelijk veertien en 21 dagen hebben plaatsgevonden, hetgeen leidt tot een aanvangsdatum van de hennepkwekerij op 29 juli 2008. Deze conclusie is gestoeld op de volgende waarnemingen van de fraudespecialist tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij op 6 januari 2009. De kappen van de assimilatielampen zaten onder een laag stof, het witte filtermateriaal van de koolstoffilters was vervuild op een wijze dat de filters minimaal twee oogsten in werking zijn geweest, de koolstoffilters waren matig vervuild, op de vloer lagen resten van hennepplanten, kennelijk afkomstig van een eerdere oogst, het zeil op de vloer was voorzien van een dikke kalkaanslag, wat duidt op een langdurig in bedrijf zijn van de hennepkwekerij. De aanwezige hennepplanten waren respectievelijk veertien dagen en 21 dagen oud.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze waarnemingen en de conclusie van de fraudespecialist te twijfelen, te minder nu deze nagenoeg overeenkomen met de waarnemingen en conclusie van de politie, zoals weergegeven in de processen-verbaal van 22 februari 2009. Het college heeft zich voor de vaststelling van de aanvangsdatum van de hennepkwekerij op 29 juli 2008 dan ook terecht gebaseerd op de bevindingen van de fraudespecialist en de politie. Appellant heeft de aanvangsdatum van de hennepexploitatie in zijn woning weliswaar bestreden, maar heeft geen concrete verifieerbare gegevens in het geding gebracht die op een latere aanvangsdatum wijzen. De enkele verklaring dat zich voorafgaand aan zijn vertrek naar het buitenland op 11 november 2008 geen hennepkwekerij in zijn woning bevond, is onvoldoende om van een latere aanvangsdatum uit te gaan. Dit geldt ook voor de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van vrienden, die inhouden dat zij nooit iets hebben gezien van hennepteelt in de woning van appellant. De door appellant overgelegde aankoopbonnen van spullen ten behoeve van de inrichting van zijn woning alsmede reparaties die in zijn huis zijn uitgevoerd, kunnen hem ook niet baten, nu deze niets zeggen over en zij los staan van de aangetroffen hennepkwekerij in de woning van appellant.

4.3. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) R.L.G. Boot.

HD