Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
11-6313 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemelijk maken verzending besluiten; op twee separate manieren tegelijkertijd verzonden zonder verdere registratie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41, geldigheid: 2012-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/167
JWWB 2012/85
ABkort 2012/184

Uitspraak

11/6313 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2011, 11/2323 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ruijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 29 februari 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 9 april 2008 heeft het college aan appellant, die dakloos is, toestemming verleend het adres van de Dienst Werk en Inkomen (DWI), IJsbaanpad 9 (IJsbaanpad) te Amsterdam, als postadres te gebruiken. Daaraan heeft het college onder meer de verplichting verbonden dat appellant één keer per week zijn post moet ophalen en zich daarbij moet legitimeren. Appellant moest daarbij tekenen voor ontvangst. Tussen 6 mei 2010 en 22 september 2010 heeft appellant zijn post niet opgehaald.

1.2. Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken op de grond dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting om zijn post eenmaal per twee weken op te halen op het aan hem ter beschikking gestelde postadres en dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging om op 26 augustus 2010 inlichtingen te verstrekken over de vraag of hij in Amsterdam verblijft.

1.3. Namens appellant heeft mr. Ruijs op 9 december 2010 verzocht om opheldering over het feit dat appellant over de periode van juli tot en met september 2010 geen bijstand heeft ontvangen, aangezien hij nimmer een besluit tot intrekking heeft ontvangen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college op 14 januari 2011 een afschrift van het besluit van 26 augustus 2010 aan mr. Ruijs gezonden. Op 19 januari 2011 heeft deze namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 augustus 2010.

1.4. Bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant is zijn bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2010 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college niet heeft aangetoond dat dit besluit op de juiste wijze is verzonden. Daarnaast is het hem niet toe te rekenen dat hij dit besluit nooit heeft ontvangen. Vanwege medicijngebruik en een doorgemaakte moeilijke periode was hij niet in staat zijn post op te halen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal het bestuursorgaan nader bewijs moeten leveren ten aanzien van de ontvangst van het besluit.

4.3. Niet is in geschil dat het college het besluit van 26 augustus 2010 juist heeft geadresseerd en dat het niet aangetekend is verzonden. Voorts staat vast dat het college besluiten die bestemd zijn voor cliënten die gebruik maken van een postadres bij de DWI tegelijkertijd op twee verschillende wijzen verzendt, namelijk per gewone post naar het postadres en door het deponeren van een afschrift van het besluit in het desbetreffende postvak. Het geautomatiseerd systeem van het college maakt een besluit aan op het moment dat een tweede ambtenaar dit besluit fiatteert. Dan wordt een datum aan het besluit toegevoegd en worden vervolgens volautomatisch twee afdrukken gemaakt. De eerste afdruk wordt in de centrale printstraat te Utrecht geproduceerd waarna deze eveneens geautomatiseerd ter verzending per post wordt aangeboden. De tweede afdruk wordt geproduceerd bij een printer in het gebouw waar de ambtenaar werkt die de brief heeft aangemaakt. De ambtenaar kopieert de tweede afdruk direct, voegt één exemplaar in het dossier en legt het andere in het postvak van de geadresseerde. Dit postvak bevindt zich in hetzelfde gebouw als deze printer. Er bestaat geen verdere registratie van verzending van besluiten. Niet in geschil is dat het besluit van 26 augustus 2010 op deze wijze is aangemaakt.

4.4. Het is onaannemelijk dat iets is misgegaan met beide, van elkaar onafhankelijke wijzen van verzending van het besluit. Daarom heeft het college aannemelijk gemaakt dat het besluit naar het postadres van appellant is verzonden. Appellant betwist dat hij beide afschriften van het besluit van 26 augustus 2010 heeft ontvangen. Nu appellant sinds

6 mei 2010 zijn post niet heeft opgehaald, ontbeert deze ontkenning iedere onderbouwing. Dit betekent dat het besluit van 26 augustus 2010 op de voorgeschreven wijze aan appellant is bekendgemaakt.

4.5. Appellant heeft met de door hem overgelegde verklaring van zijn huisarts niet aannemelijk gemaakt dat hij buiten staat was zijn post op te halen. Die arts heeft immers verklaard dat er in 2010 geen consulten zijn geweest en dat hij niets kan zeggen over de geestelijke gezondheid van appellant in die periode. Bovendien was appellant wel in staat om op 27 juli 2010 telefonisch contact op te nemen, omdat hij geen bijstand had ontvangen en heeft hij op 11 oktober 2010 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. De gevolgen van het feit dat appellant sinds 6 mei 2010 in strijd met zijn verplichting zijn post niet meer heeft opgehaald dienen dan ook geheel voor rekening van appellant te worden gelaten. Het college en de rechtbank hebben de termijnoverschrijding daarom terecht niet verschoonbaar geacht.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD