Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
11-1115 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat de gevraagde bank- en giroafschriften van belang waren voor de voortzetting van de bijstand. Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet aan het college heeft overgelegd. Het college is terecht tot de conclusie gekomen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kon worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant gedurende de in geding zijnde periode nog recht had op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1115 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 december 2010, 08/3730 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In verband met detentie van appellant is de bijstand met ingang van 1 juni 2008 geblokkeerd. Appellant heeft op 3 juli 2008 aan het college doorgegeven dat hij vanaf 1 juli 2008 niet langer in detentie verblijft. Bij brief van 16 juli 2008 heeft het college appellant verzocht vóór 24 juli 2008 bank- en giroafschriften van de laatste drie maanden op te sturen. Bij besluit van 29 juli 2008 heeft het college het recht van appellant op bijstand met ingang van 24 juli 2008 opgeschort, omdat hij de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd.

1.2. Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 11 mei 2008 ingetrokken. Bij besluit van 27 november 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2008 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant gedurende de periode van 11 mei 2008 tot en met 30 juni 2008 gedetineerd is geweest en dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet de door het college gevraagde gegevens over te leggen, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand vanaf 1 juli 2008 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, nadat zij had vastgesteld dat het beroep alleen ziet op de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 1 juli 2008, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat hij al vanaf 24 december 2002 rechtmatig bijstand heeft ontvangen en dat het college, toen appellant zich na zijn detentie weer meldde voor bijstand, voldoende informatie voorhanden had om het recht op bijstand te beoordelen. Het overleggen van bank- en giroafschriften over de laatste drie maanden was daarvoor niet nodig.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 juli 2008 tot en met 7 augustus 2008.

4.2. Op grond van artikel 53a van de WWB bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand door de belanghebbende in ieder geval moeten worden overgelegd.

4.3. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat de gevraagde bank- en giroafschriften van belang waren voor de voortzetting van de bijstand. Zoals ter zitting van de Raad van de kant van het college nog is toegelicht, diende inzicht te worden verkregen in de financiële situatie van appellant zowel voorafgaand aan diens detentie - in verband met (een verdenking van) diefstal - als ten tijde van de detentie en kort na afloop van de detentie. Het enkele feit dat appellant in de periode voorafgaand aan zijn detentie gedurende lange tijd bijstand heeft ontvangen, levert volstrekt onvoldoende onderbouwing op voor de stelling van appellant dat het college over voldoende informatie beschikte om het recht op bijstand vanaf 1 juli 2008 te kunnen beoordelen en dus niet om overlegging van nadere gegevens zou mogen vragen.

4.4. Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet aan het college heeft overgelegd. Daarmee heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Het college is terecht tot de conclusie gekomen dat als gevolg van die schending niet kon worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant gedurende de in geding zijnde periode nog recht had op bijstand. Daarbij betrekt de Raad dat de gevraagde gegevens ook naderhand, in beroep en in hoger beroep, niet zijn overgelegd, zodat het recht op bijstand ook in die fasen van de procedure niet kon en kan worden vastgesteld. De bijstand is daarom op goede gronden na afloop van de detentie van appellant - met ingang van 1 juli 2008 - ingetrokken.

4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD