Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
10-3929 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAJONG-uitkering. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante in de relevante periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3929 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juni 2010, 09/6289 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum en D. Vrijmoed, sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij GGZ Delfland. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 31 juli 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 20 maart 2009 tot weigering van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat appellante in de relevante periode van 52 weken, gerekend vanaf 14 mei 1999, onafgebroken arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat weliswaar is gebleken dat bij appellante sprake is van PDD-NOS, ook reeds in het achttiende levensjaar, maar dat gelet op de latere werkzaamheden die zij gedurende ruim vier jaar heeft gedaan, niet gebleken is dat deze duurzaam tot beperkingen en arbeidsparticipatieproblemen heeft geleid.

2. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat zij al sinds haar jeugd lijdt aan PDD-NOS, dus de wachttijd is volgemaakt. Zij heeft haar MBO-opleiding moeten staken. Het huishoudelijk werk dat zij daarna heeft gedaan lukte alleen als zij duidelijke, directe opdrachten kreeg. Tijdens het werk dat ze vanaf begin 2002 verrichtte bij [werkgever] had zij een “jobcoach”. Omdat zij op haar tenen moest lopen had zij thuis last van woede-aanvallen en in het weekend sliep zij veel. Zij heeft en had meer beperkingen en ook een urenbeperking is aan de orde. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van haar ouders, een rapport van de bedrijfsarts van 11 april 2006, het artikel Autismespectrumstoornissen in de DSM-5, e-mails van Vrijmoed en de eindrapportage van Werkpad overgelegd.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met de stellingname van appellante in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht veel waarde gehecht aan het feit dat appellante haar werkzaamheden bij [werkgever] gedurende ruim vier jaar heeft gedaan. Uit de door het Uwv overgelegde handgeschreven notities van de functioneringsgesprekken komt naar voren dat appellante werkzaam is geweest als telefoniste/receptioniste en dat haar prestaties in de loop van de jaren zijn verbeterd. Op veel punten scoort zij een G. Haar tijdelijke arbeidscontract is enige malen verlengd en vervolgens omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Zij heeft naast dat werk een typecursus en diverse andere cursussen (Word, telefoontraining, sociale vaardigheden) gedaan. Zij heeft in het gesprek met de arbeidsdeskundige op 9 januari 2008 te kennen gegeven dat zij het werk met veel plezier heeft gedaan maar dat zij het op dat moment niet zou aankunnen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapporten van 11 oktober en 20 december 2010 en 26 juli 2011 afdoende gemotiveerd dat de in hoger beroep door appellante overgelegde stukken niet tot een andere conclusie leiden.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR