Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
11-91 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. Gezamenlijke huishouding. Aangezien uit de relatie van appellant en [J.] een dochter is geboren, is voor de vraag of appellant en [J.] in de tweede in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, slechts van betekenis of zij gedurende deze periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Het college heeft ten aanzien van de tweede in geding zijnde periode aannemelijk gemaakt dat appellant en [J.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [J.]. Het college heeft ook ten aanzien van de eerste in geding zijnde periode aannemelijk gemaakt dat appellant en [J.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [J.]. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is er in eerste in geding zijnde periode voorts sprake geweest van wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/91 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2010, 10/2461 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. Voor appellant is mr. Van Basten Batenburg verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Van partijen zijn nadere stukken ontvangen.

Op 20 maart 2012 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Basten Batenburg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Drazenovic.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [J.] ontving vanaf 16 juli 2002 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een gesprek met [J.] en een anonieme melding dat zij samenwoont met appellant heeft de Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [J.] verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, observaties verricht nabij de woning van [J.], een huisbezoek aan de woning van [J.] afgelegd, bij het Duinwaterbedrijf Zuid Holland informatie opgevraagd over het waterverbruik op de adressen van appellant en [J.], [J.] en appellant verhoord en buurtbewoners gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 19 juni 2008.

1.3. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 30 juni 2008 de bijstand van [J.] ingetrokken over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2008 op de grond dat zij gedurende deze periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant, zonder daarvan bij het college melding te hebben gemaakt. Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college de over de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.055,75 van [J.] teruggevorderd alsmede van appellant mede teruggevorderd. Bij besluit van 27 april 2009 heeft het college het door [J.] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2008 ongegrond verklaard. [J.] heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.

1.4. Bij besluit van 3 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, onderscheid gemaakt tussen de periode voor en de periode vanaf de geboorte van de dochter van [J.] en appellant op 17 april 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft, samengevat, het volgende tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. [J.] en hij hebben geen gezamenlijke huishouding gevoerd. Zij hebben hun hoofdverblijf tijdelijk in dezelfde woning gehad toen [J.] zwanger was. Na de geboorte van hun kind hadden zij hun hoofdverblijf niet meer in dezelfde woning. Uit het lage waterverbruik in de woning van appellant kan niet worden geconcludeerd dat hij daar zijn hoofdverblijf niet had, omdat hij als professioneel thaibokser vijf dagen per maand in het buitenland verbleef, hij op de sportschool douchte en [J.] voor hem de was deed. De getuigenverklaringen van de buurtbewoners zijn uiterst onbetrouwbaar, omdat ze geanonimiseerd zijn, niet door henzelf geschreven en ook inhoudelijk onvoldoende bewijskracht hebben. Verder had met het oog op de vereiste zorgvuldigheid ook bij de woning van appellant buurtonderzoek moeten plaatsvinden. Er is evenmin voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Tijdens de zwangerschap verleende appellant wel tijdelijke hulp aan [J.], maar van wederzijdse zorg was geen sprake.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [J.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.2. De te beoordelen periode is hier de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 mei 2008. Aangezien uit de relatie van appellant en [J.] op 17 april 2008 een dochter is geboren, is voor de vraag of appellant en [J.] van 17 april 2008 tot en met 31 mei 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, slechts van betekenis of zij gedurende deze periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

4.3. Het college heeft voor de periode van 17 april 2008 tot en met 31 mei 2008 aannemelijk gemaakt dat appellant en [J.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [J.]. Daarbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die [J.] en appellant op respectievelijk 9 en 18 juni 2008 ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd. [J.] heeft verklaard dat appellant het laatste jaar bij haar is, dat hij af en toe ook wel eens naar zijn woning gaat om daar zijn spullen en post te halen en dat hij ongeveer vier maanden permanent bij haar is. Appellant heeft op de vraag wanneer hij meer bij zijn vriendin is dan dat hij op zijn adres woont, verklaard dat hij dat niet precies weet, maar dat het misschien zes à zeven maanden is. Het in hoger beroep door appellant ingenomen standpunt dat hij en [J.] na de geboorte van hun kind hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hadden, strookt niet met deze verklaringen. Dat standpunt strookt evenmin met de bevindingen van het observatieonderzoek in de periode tussen 20 mei 2008 en 7 juni 2008 en het huisbezoek op 6 juni 2008. Tijdens bedoelde observaties zijn de auto van appellant ’s ochtends vrijwel dagelijks in de directe omgeving van de woning van [J.] aangetroffen. Tijdens het huisbezoek zijn een kledingkast met uitsluitend kleding van appellant, alsmede diverse andere spullen van appellant aangetroffen, waaronder een ‘bench’ voor zijn hond. Deze onderzoeksbevindingen ondersteunen de verklaringen van appellant en [J.].

4.4. Het college heeft ook ten aanzien van de periode van 1 juni 2006 tot 17 april 2008 aannemelijk gemaakt dat appellant en [J.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [J.]. De onder 4.3 weergegeven verklaringen van appellant en [J.] hebben ook betrekking op een deel van deze periode, terwijl de door het Duinwaterbedrijf Zuid Holland verstrekte gegevens over het waterverbruik over deze periode, uitgaande van een gemiddeld waterverbruik van 50 m³ per persoon per jaar, een zeer laag waterverbruik (7 m³ van 27 april 2006 tot 24 mei 2007 en 8 m³ van 24 mei 2007 tot 22 april 2008) in de woning van appellant laten zien en een zeer hoog waterverbruik (141 m³ van 6 februari 2006 tot 5 februari 2007 en 147 m³ van 5 februari 2007 tot 20 februari 2008) in de woning van [J.]. Dat appellant en [J.] alleen tijdens de zwangerschap van [J.] hun gezamenlijk hoofdverblijf in haar woning zouden hebben gehad, is niet aannemelijk, nu het waterverbruik in de woning van appellant in de periode van 27 april 2006 tot 24 mei 2007 zelfs iets lager is geweest dan in de periode van 24 mei 2007 tot 22 april 2008. Hetgeen appellant in hoger beroep over het lage waterverbruik in zijn woning heeft aangevoerd, verklaart voorts niet het hoge waterverbruik in de woning van [J.]. De verklaring die [J.] tijdens haar verhoor op 9 juni 2008 over het hoge waterverbruik in haar woning heeft gegeven, dat zij veel water gebruikt en appellant bij haar doucht, is daarvoor evenmin afdoende, te minder nu zij heeft verklaard dat appellant veel weg is en zij veel alleen is.

4.5. Het college heeft voorts nog aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat drie van de vier buurtbewoners van [J.] hebben verklaard dat appellant en [J.] daar al twee tot vier jaar wonen. De Raad stelt vast dat het college deze verklaringen heeft geanonimiseerd. De vraag of daarvoor gewichtige redenen zijn als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan hier in het midden blijven, nu reeds op grond van de overige onderzoeksbevindingen aannemelijk is dat appellant en [J.] in de periode van 1 juni 2006 tot 17 april 2008 hun hoofdverblijf in de woning van [J.] hebben gehad. Om diezelfde reden was er, anders dan appellant betoogt, geen grond voor het oordeel dat ook bij de woning van appellant buurtonderzoek had moeten worden verricht.

4.6. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is er in de periode van 1 juni 2006 tot 17 april 2008 voorts sprake geweest van wederzijdse zorg. Zo blijkt uit de verklaringen die appellant en [J.] hebben afgelegd dat [J.] de was deed voor appellant en dat appellant de boodschappen voor [J.] deed en haar hond uitliet.

4.7. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD