Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
10-1942 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering deelname als uitzending aan te merken. Dat de aanwijzing van appellante voor de stand-by poule SFIR niet bij formele beschikking is beëindigd en dus in theorie nog steeds zou voortduren, doet daaraan niet af. Reeds na de terugtrekking van de Nederlandse troepen uit Irak in april 2005 moet het appellante duidelijk zijn geweest dat haar aanwijzing voor de stand-by poule SFIR feitelijk was komen te vervallen. Bevestiging daarvan kwam in ieder geval in maart 2006, toen appellante opdracht kreeg om de haar verstrekte uitrusting op 14 april 2006 in te leveren. Dat de aanwijzing voor de stand-by poule SFIR een ruimere strekking had en ook tot inzet in een ander crisisgebied zou kunnen leiden, zoals appellant ter zitting nog heeft aangevoerd, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1942 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/3178 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de commandant der Koninklijke Marechaussee (commandant)

Datum uitspraak: 26 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.H. Welter hoger beroep ingesteld

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Welter. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Diekstra en mr. drs. A.J. Verdonk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sinds 7 januari 1980 werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee (KMar), sinds 1993 in de rang van wachtmeester. Bij besluit van 26 april 2004 is zij aangewezen voor de stand-by poule van de missie Stabilisation Force Iraq (SFIR). Personeel van die poule zou op een korte termijn -‘notice to move’- naar Irak moeten kunnen vertrekken. In juni 2004 is haar daartoe de benodigde uitrusting verstrekt.

Tot een daadwerkelijke inzet in Irak van appellante is het niet gekomen en op 16 maart 2006 heeft appellante de opdracht gekregen een deel van haar uitrusting op 14 april 2006 in te leveren.

1.2. Bij rekest van 19 september 2008 heeft appellante verzocht op grond van het gelijkheidsbeginsel haar deelname in de stand-by poule SFIR als uitzendbeurt aan te merken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een soortgelijke stand-by poule van de CROWD&Riot Control/Special Police Unit (CRC/SPU), die evenmin tot daadwerkelijke inzet heeft geleid, wel als uitzending is aangemerkt.

1.3. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft de commandant geweigerd haar deelname als uitzending aan te merken. Bij het bestreden besluit van 24 maart 2009 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In een brief van 13 juni 2002 van de directeur Operatiën van de KMar, waarop appellante zich beroept, geschreven namens de (toenmalige) bevelhebber der Kmar aan de commandant van het district Gelderland/Overijssel/Flevoland, maakt de directeur Operatiën melding van toezeggingen die zijn gedaan tijdens een voorlichtingsbijeenkomst op 27 april 2001 voor het personeel van het CRC/SPU-peloton. De brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Tijdens deze bijeenkomst is door de Directeur Operatiën KMar medegedeeld dat voor de marechaussee die gedurende een periode van minimaal 24 maanden deel heeft uitgemaakt van het CRC-peloton, deze periode geldt als uitzendbeurt. Deze vaststelling kan relevant zijn voor de volgorde van aanwijzing voor een volgende uitzending. Voorts is medegedeeld dat de marechaussee na een periode van CRC-lidmaatschap in beginsel niet-uitzendbaar is voor een duur gelijk aan die van de lidmaatschapsperiode, met een maximum van 24 maanden. Tijdens de duur van het CRC-lidmaatschap geldt dat de militair na een periode van daadwerkelijke inzet in beginsel gedurende een periode van tweemaal de duur van die inzet niet nogmaals daadwerkelijk zal worden ingezet.

(…..)

Deze brief dient om de op 27 april 2001 gedane toezeggingen te bevestigen en eventuele onduidelijkheden ten aanzien van de niet-uitzendbaarheid na een periode van CRC-lidmaatschap voor het huidige personeel uit de weg te ruimen. Ik merk afsluitend op dat het CRC-peloton binnen de KMar een nieuw verschijnsel is dat te zijner tijd in al haar facetten geëvalueerd zal worden.”

3.2. Uit deze brief blijkt dat alleen voor militairen die minimaal 24 maanden deel hebben uitgemaakt van het CRC-peloton, deze plaatsing in dat peloton is aangemerkt als uitzendbeurt. Reeds omdat de aanwijzing van appellante voor de stand-by poule SFIR minder dan 24 maanden heeft geduurd, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel dus niet slagen.

3.3. Dat de aanwijzing van appellante voor de stand-by poule SFIR niet bij formele beschikking is beëindigd en dus in theorie nog steeds zou voortduren, doet daaraan niet af. Reeds na de terugtrekking van de Nederlandse troepen uit Irak in april 2005 moet het appellante duidelijk zijn geweest dat haar aanwijzing voor de stand-by poule SFIR feitelijk was komen te vervallen. Bevestiging daarvan kwam in ieder geval in maart 2006, toen appellante opdracht kreeg om de haar verstrekte uitrusting op 14 april 2006 in te leveren. Dat de aanwijzing voor de stand-by poule SFIR een ruimere strekking had en ook tot inzet in een ander crisisgebied zou kunnen leiden, zoals appellant ter zitting nog heeft aangevoerd, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.

3.4. Ook de beschikking van 26 november 2002 gericht aan haar collega A. M., waarop appellante nog een beroep heeft gedaan, kan haar niet baten. Uit die beschikking blijkt dat voor die collega die gedurende 24 maanden - van 1 november 2000 tot 1 november 2002 - was aangewezen voor deelname aan het noodhulpteam KMAR, die deelname uitdrukkelijk op grond van de tijdsduur daarvan is aangemerkt als uitzendbeurt.

3.5. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de aanwijzing van appellante voor de stand-by poule SFIR heeft plaatsgevonden onder het nieuwe beleid, zoals neergelegd in het Integraal Zorgconcept Vredesoperaties KMar van april 2004. Onderdeel van dat Integraal Zorgconcept is een paragraaf ‘aanwijzen van personeel’, waarin het (nieuwe) uitzendbeleid van de KMar uiteen wordt gezet. Daarin komt het als uitzendbeurt aanmerken van een aanwijzing die niet tot daadwerkelijke inzet heeft geleid niet voor.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de commandant uiteengezet dat ook beoogd is dat alleen daadwerkelijke militaire inzet buiten Nederland als uitzending wordt aangemerkt. Dit is in het Integraal Zorgconcept Vredesoperaties KMar van februari 2008 verder verduidelijkt.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.Nijholt.

HD