Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
10-1823 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1823 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/3117 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Commandant Koninklijke marechaussee (commandant)

Datum uitspraak: 26 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012. Appellante was vertegenwoordigd door mr. T.H. ten Wolde, advocaat. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt en mr. S.M. Diekstra.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, wachtmeester der 1e klasse en aangesteld voor onbepaalde tijd, is in 2008 voorgedragen om aangewezen te worden voor uitzending. Omdat appellante destijds een alleenstaande moeder was met twee minderjarige kinderen (van 12 en 14 jaar) was zij niet uitzendgeschikt en daardoor dienstongeschikt. Naar aanleiding van een verzoek van appellante om dispensatie van de uitzendverplichting voor een periode van zes jaar heeft de commandant bij beschikking van 20 oktober 2008 besloten dat appellante wegens sociale inzetbaarheidsbeperkingen met ingang van 1 oktober 2008 niet wordt uitgezonden naar een crisis-, vredes- of humanitaire missie. Daarbij geldt een ontslagbescherming tot 1 oktober 2010, met ingang van welke datum appellante weer voor uitzending in aanmerking komt. Bij besluit van 24 maart 2009 is dit besluit na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep gericht tegen de handhaving van het besluit van 20 oktober 2008 gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. De rechtbank achtte de afwijzing van het verzoek om dispensatie gedurende een periode van zes jaar op grond van het geldende beleid redelijk.

3. Het beleid met betrekking tot uitzending voorziet erin dat vrouwen met kinderen tot en met vier jaar en mannen verantwoordelijk voor de zorg van een één-oudergezin met kinderen tot en met vier jaar niet voor uitzending in aanmerking komen (Integraal Zorgconcept Vredesoperaties Kmar, hoofdstuk 2.2, onder d). Is daarna nog sprake van sociale inzetbaarheidsbeperkingen die naar verwachting langer dan 24 maanden gaan duren, dan geldt het re-integratiebeleid defensiepersoneel met een ontslagbescherming van 24 maanden. Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat doordat veel meer vrouwen dan mannen de zorg voor een één-oudergezin dragen, vrouwen vaker met langere sociale inzetbaarheidsbeperkingen te maken hebben dan mannen. Daarom acht appellante dit beleid, dat niet of nauwelijks voorziet in dispensatie, indirect discriminerend.

4. Ter zitting is gebleken dat appellante ook na 1 oktober 2010 niet voor uitzending is aangewezen en evenmin is ontslagen of gere-integreerd in een andere functie. Appellante is de haar toegewezen functie gewoon blijven vervullen. Recent is appellante wel weer aangewezen voor uitzending, vanwege haar omstandigheden slechts voor drie maanden, en daartegen heeft appellante geen bezwaar. Ter zitting is erkend dat thans geen daadwerkelijk geschil over uitzending tussen partijen meer bestaat, maar appellante wil graag een oordeel van de Raad over haar hierboven vermelde principiële standpunt inzake discriminatie.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor een ontvankelijk hoger beroep vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden procesbelang bij een uitspraak (CRvB 15 mei 2008, LJN BD2244). Dat laatste is hier niet het geval. De enkele wens om een principiële uitspraak te krijgen over de in 3 omschreven stelling van appellante is niet als voldoende procesbelang aan te merken. Schadevergoeding is niet aan de orde. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.R. Schuurman.

HD