Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
10-735 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek bevordering tot adjudant. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant in feite steeds werkzaam is geweest in de functie van Hoofd Werkcentrum Cross-Servicing en Testvliegen. De stelling van appellant dat hij vanaf 2000 onafgebroken leiding heeft gegeven aan dit werkcentrum ziet eraan voorbij dat appellant al sinds 1 maart 2002 als OOT Cross-Servicing was geplaatst onder het [naam onderdeel]. De commandant heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de organisatorische inpassing van de functie van appellant niet zonder meer vergelijkbaar is met die van zijn collega’s op de vliegbases Leeuwarden en Eindhoven. Appellant kan zich daarom niet met succes erop beroepen dat aan zijn collega’s op de vliegbases Leeuwarden en Eindhoven wel de rang van adjudant is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/735 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 09/3405 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Luchtstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 26 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 maart 2012 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. ten Wolde. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Antzoulatos-Borgstein.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, aangesteld bij de Koninklijke luchtmacht, is met ingang van 1 oktober 2000 de functie van Onderofficier Toegevoegd (OOT) Werkeenheid Testvliegen en Cross-Servicing op de vliegbasis [naam vliegbasis] toegewezen. Aan deze functie was de rang van sergeant-majoor verbonden.

1.2. In het kader van een reorganisatie is appellant met ingang van 1 maart 2002 de functie van medewerker Gereedstellingsvlucht 311 in de rang van sergeant-majoor toegewezen, en met ingang van 1 januari 2005 de functie medewerker Gereedstellingsvlucht 311/Cross-Servicing, aan welke functie dezelfde rang was verbonden.

1.3. Bij rekest van 22 maart 2008 heeft appellant verzocht om in overeenstemming met artikel 27, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) met ingang van 1 oktober 2000 te worden bevorderd tot adjudant. Appellant heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de door hem beklede functie, Hoofd Werkcentrum Cross-Servicing en Testvliegen, in de zogenoemde CLSK-functiedatabank onderofficieren is gewaardeerd met de rang van adjudant.

1.4. Bij besluit van 14 november 2008 heeft de commandant het verzoek van appellant afgewezen. Na bezwaar is deze afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit van 2 april 2009. Aan dit besluit ligt primair de overweging ten grondslag dat de stukken geen aanknopingspunten bieden voor de stelling van appellant dat hem ooit de functie van Hoofd Werkcentrum Cross-Servicing is toegewezen, althans dat hij een leidinggevende functie bekleedt. Appellant bekleedt niet de functie van Hoofd Werkcentrum Cross-Servicing en Testvliegen, maar is geplaatst in de functie van OOT Cross-Servicing bij het [naam onderdeel], afdeling Gereedstelling, aan welke functie de rang van sergeant-majoor is verbonden. De commandant heeft ten overvloede onderzocht of de door appellant wél beklede functie hoger zou kunnen worden gewaardeerd. Gelet op het negatieve advies van het Dienstencentrum Formatieadvies heeft de commandant geen aanleiding gezien het verzoek toch in te willigen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat er geen besluit tot functietoewijzing is aan te wijzen waaruit blijkt dat appellant de functie van Hoofd Werkcentrum Cross-Servicing en Testvliegen is toegewezen. Het standpunt van de commandant dat de aan appellant toegewezen functie ook na herwaardering met de rang van sergeant-majoor correct is gewaardeerd kan naar het oordeel van de rechtbank niet onhoudbaar worden geacht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. In geding is de afwijzing van het verzoek van appellant om hem met terugwerkende kracht tot de datum van plaatsing in de functie van OOT Werkeenheid Testvliegen en Cross-Servicing, 1 oktober 2000, te bevorderen tot de rang van adjudant. De Raad stelt vast dat appellant gedurende de gehele periode vanaf het moment dat hem per 1 oktober 2000 voormelde functie van OOT Werkeenheid Testvliegen en Cross-Servicing is toegewezen tot het moment waarop hij het verzoek van 22 maart 2008 heeft ingediend geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het feit dat hem de rang van sergeant-majoor was toegekend. Appellant heeft de onder 1.1 en 1.2 weergegeven besluiten tot functietoewijzing immers niet aangevochten. Pas door middel van het onderhavige verzoek heeft appellant getracht hierin verandering te brengen. Nu appellant tot de datum van dit verzoek heeft berust in het feit dat aan hem de rang van sergeant-majoor was toegekend, heeft de in het bestreden besluit vervatte weigering om appellant met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2000 te bevorderen in de rang van adjudant het karakter van een weigering terug te komen van de in rechte onaantastbaar geworden functietoewijzingsbesluiten, voor zover daarbij aan appellant met ingang van 1 oktober 2000 de rang van sergeant-majoor is toegekend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.2. In dit geval is een duuraanspraak in het geding. In zo’n geval is het aangewezen om bij de toetsing van het verzoek om terug te komen van, een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 13 oktober 2011, LJN BU2140 en CRvB 11 december 2008, LJN BG9699). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsingsmaatstaf worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.3. Appellant heeft wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek van 22 maart 2008 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld naar voren gebracht. Voor de periode voorafgaande aan het verzoek houdt de afwijzing reeds hierom stand.

3.4. De commandant heeft wat betreft het tijdvak na de indiening van het onderhavige verzoek bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing kunnen komen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant in feite steeds werkzaam is geweest in de functie van Hoofd Werkcentrum Cross-Servicing en Testvliegen. De stelling van appellant dat hij vanaf 2000 onafgebroken leiding heeft gegeven aan dit werkcentrum ziet eraan voorbij dat appellant al sinds 1 maart 2002 als OOT Cross-Servicing was geplaatst onder het [naam onderdeel]. Dit onderdeel stond, naar de commandant voldoende heeft toegelicht, onder directe aansturing van de zogenoemde Lijnchef. De commandant heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de organisatorische inpassing van de functie van appellant niet zonder meer vergelijkbaar is met die van zijn collega’s op de vliegbases Leeuwarden en Eindhoven. Appellant kan zich daarom niet met succes erop beroepen dat aan zijn collega’s op de vliegbases Leeuwarden en Eindhoven wel de rang van adjudant is toegekend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 februari 2011, LJN BP8049 en TAR 2011, 142) staat het een bestuursorgaan in beginsel vrij om zelf de inrichting van zijn organisatie te bepalen. Ook anderszins bestaat geen grond voor het oordeel dat de commandant bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet, zij het met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.G. Treffers en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.R. Schuurman.

HD