Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
09-5822 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft de snelheidslimiet met 20 km per uur overschreden. Het besluit om de als gevolg daarvan opgelegde verkeersboete op appellant te verhalen is in overeenstemming met artikel 5, derde lid, van de Beleidsregel genomen. De stelling van appellant dat de weg uitnodigde tot een hoge snelheid onderschrijft de Raad in het licht van het vorenstaande uitdrukkelijk niet en kan geen reden zijn om te oordelen dat de boete op grond van het tweede lid niet had mogen worden verhaald op appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/140
Module Ambtenarenrecht 2014/1439
ABkort 2012/174

Uitspraak

09/5822 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 september 2009, 09/1013 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie

Datum uitspraak: 26 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012 door de enkelvoudige kamer. Appellant is verschenen en de minister was vertegenwoordigd door mr. G.V. Wannyn. Na de zitting is de zaak terugverwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarna het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

1.1. Appellant, adjudant-onderofficier van de Koninklijke marechaussee, heeft op 16 juni 2008, rijdend met een dienstauto, de ter plaatste geldende maximunsnelheid van 50 km per uur overschreden met (na correctie) 20 km per uur. In verband hiermee is aan de minister, als kentekenhouder, een boete opgelegd van € 111,-. Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft de minister de kosten van deze boete met toepassing van artikel 145 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en artikel 5, eerste en derde lid, van de Beleidsregel inzake schadeverhaal defensiepersoneel (Beleidsregel) in rekening gebracht. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2009 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 145, eerste lid, aanhef en onder a, van het AMAR kan onze Minister de militair verplichten tot geheel of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de militair. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel wordt - voor zover hier van belang - door de dienst geleden schade, ontstaan als gevolg van een aan het Ministerie van Defensie opgelegde verkeersboete, altijd op de defensiemedewerker verhaald indien blijkt dat deze in het kader van de hem opgedragen werkzaamheden opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Het verhalen van schade vergt voorts, op grond van het tweede lid, een individuele belangenafweging. Ingevolge het derde lid van dit artikel moet bij het aantonen van opzet of bewuste roekeloosheid op basis van objectieve maatstaven kunnen worden afgeleid dat de defensiemedewerker willens en wetens heeft gehandeld dan wel zich bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag. De volgende objectieve maatstaven spelen hierbij een rol:

a. de mate van overschrijding van de maximum snelheid. Richtinggevend hierbij is dat een overschrijding van de maximum toegestane snelheid na correctie met 11 kilometer per uur of meer op basis van jurisprudentie in beginsel opzettelijk of bewust roekeloos wordt geacht;

b. door rood licht rijden; indien het licht zodanige tijd op rood staat dat een betrokkene dat wel moet hebben gezien, is sprake van opzet of bewuste roekeloosheid;

c. fout parkeren; indien op een plaats wordt geparkeerd waar dat ingevolge de plaatselijke verbodsbepalingen nimmer is toegestaan kan opzet of bewuste roekeloosheid worden verondersteld. Hiervan is eveneens sprake wanneer, ingeval van parkeren tegen betaling, niet is betaald dan wel de mate van overschrijding van de betaalde parkeertijd zodanig is overschreden dat betrokkene geruime tijd heeft gehad om parkeergeld bij te betalen;

d. weersomstandigheden;

e. de aanwezigheid en zichtbaarheid van gebods- en verbodborden;

f. overige plaatselijke omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het opzettelijke of bewust roekeloze karakter.

3.2. De minister heeft de verkeersboete op appellant verhaald overeenkomstig het bepaalde in het AMAR en de Beleidsregel. Aangezien appellant de ter plaatse voorgeschreven maximale snelheid met 20 km per uur heeft overschreden neemt de minister aan dat bij hem sprake was van bewuste roekeloosheid, zodat de als gevolg van die snelheidsoverschrijding opgelegde boete op appellant mocht worden verhaald. De minister heeft geen aanleiding gezien om van zijn beleid om in zulke gevallen altijd de schade te verhalen af te wijken.

3.3. Dit geschil spitst zich toe op de vraag of hier voldaan is aan de eis van bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 145 eerste lid, aanhef en onder a, van het AMAR. Appellant heeft gesteld dat hij de voorgeschreven snelheid niet bewust heeft overtreden, omdat hij zich niet realiseerde dat ter plaatse een snelheidslimiet van 50 km per uur gold. De provinciale weg leende zich er makkelijk voor om 80 km per uur te rijden en nodigde daar ook toe uit, aldus appellant.

3.4. De minister heeft, ter uitleg van het begrip bewuste roekeloosheid in de Beleidsregel een aantal objectieve maatstaven genoemd, die aanknopingspunten bieden bij het beantwoorden van de vraag of aan de voorwaarden van het hiervoor genoemde artikel 145 is voldaan. Daarbij is in dit geval van belang het criterium dat de snelheidslimiet met meer dan 11 km per uur is overschreden. De Raad is van oordeel dat de minister met deze objectieve voorwaarde de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten is gegaan. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat in het algemeen geldt dat snelheidslimieten bewust zijn gekozen in verband met de ter plaatse geldende omstandigheden en veelal direct verband houden met de veiligheidssituatie ter plaatse. Van verkeersdeelnemers mag zonder meer worden verwacht dat zij zich bewust zijn van mogelijke verschillen in toegestane snelheid en hun rijgedrag daarbij steeds aanpassen. Juist voor provinciale wegen geldt dat men steeds bedacht moet zijn op gedeelten die zijn gelegen binnen de bebouwde kom. Een snelheidsoverschrijding met meer dan 11 km per uur kan, ook of juist als men zich dit op het moment van plegen niet realiseert, in beginsel bewust roekeloos worden genoemd.

3.5. Nu vast staat dat appellant de snelheidslimiet met 20 km per uur heeft overschreden is het besluit om de als gevolg daarvan opgelegde verkeersboete op appellant te verhalen in overeenstemming met artikel 5, derde lid, van de Beleidsregel genomen. De stelling van appellant dat de weg uitnodigde tot een hoge snelheid onderschrijft de Raad in het licht van het vorenstaande uitdrukkelijk niet en kan geen reden zijn om te oordelen dat de boete op grond van het tweede lid niet had mogen worden verhaald op appellant.

4. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD