Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
11-330 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ontslag. Niet valt in te zien dat de rechtbank in dit geval redelijkerwijs geen gebruik heeft mogen maken van haar zelfstandige bevoegdheid onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. De stelling van appellant dat de feiten in de aangevallen uitspraak te summier en deels ook onjuist zijn weergegeven wordt niet gedeeld. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd ten aanzien van de bewijsregels. Evenals de rechtbank neemt de Raad de gedragingen zoals naar voren gekomen uit het ingestelde onderzoek als vaststaand aan. Dit appellant verweten gedrag is zo ernstig te achten dat het hem opgelegde strafontslag daaraan niet onevenredig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/143
Module Ambtenarenrecht 2013/1487

Uitspraak

11/330 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 december 2010, 10/2879 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten (college)

Datum uitspraak: 26 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten, advocaat, en M.J.M. Miltenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling] van de gemeente [naam gemeente].

1.2. Op 10 september 2009 heeft de personeelsvereniging van deze gemeente een zeiltocht georganiseerd waaraan door 33 personeelsleden, onder wie appellant, is deelgenomen. Kort hierna hebben twee vrouwelijke personeelsleden, S en T, klachten bij het college ingediend over ongewenste intimiteiten die door appellant tijdens bedoeld uitje zouden zijn gepleegd. Vervolgens heeft een advocaat, verbonden aan Capra advocaten, in opdracht van het college een onderzoek ten aanzien van appellant uitgevoerd, waarvan op 24 december 2009 een rapport is uitgebracht.

1.3. Na zijn voornemen daartoe aan appellant kenbaar te hebben gemaakt en nadat appellant hierover zijn zienswijze had gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 2 maart 2010 met ingang van 16 maart 2010 de disciplinaire straf van ontslag als bedoeld in artikel 8:13 van de CAR/UWO opgelegd. Bij besluit van 22 juli 1010 (bestreden besluit) heeft het college dit ontslagbesluit na bezwaar gehandhaafd.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft zich erover beklaagd dat de rechtbank in dit geval onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terwijl appellant hiervoor geen toestemming had gegeven en de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom dit ontbreken van toestemming is gepasseerd. Deze grond faalt. Toepassing van genoemd artikel is niet afhankelijk gesteld van toestemming van partijen. Het betreft hier een zelfstandige bevoegdheid van de rechtbank. Niet valt in te zien dat de rechtbank hiervan in dit geval redelijkerwijs geen gebruik heeft mogen maken. Hierbij wordt aangetekend dat de uitspraak pas is gedaan nadat de rechtbank op een tweede zitting S nog als getuige had gehoord en dat de uitspraak uitgebreid is gemotiveerd.

3.2. Op de in hoger beroep herhaalde beroepsgronden van appellant tegen de wijze waarop het gehoor van de getuige S door de rechtbank heeft plaatsgevonden, is de rechtbank onder 2.12 van de aangevallen uitspraak uitvoerig ingegaan. Met de betrokken overwegingen kan de Raad geheel instemmen.

3.3. De stelling van appellant dat de feiten in de aangevallen uitspraak te summier en deels ook onjuist zijn weergegeven wordt niet gedeeld. Niet kon immers van de rechtbank worden verlangd dat van vrijwel alle in het zaaksdossier vermelde feiten en omstandigheden melding werd gemaakt. De rechtbank is juist eerder uitvoerig dan summier in haar weergave van de feiten en laat geen enkel voor haar beoordeling onbetwistbaar relevant feit onvermeld.

3.4. De Raad merkt vervolgens op dat weliswaar in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, doch dat anderzijds ook voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

3.5. Voor zover appellant heeft willen stellen dat de rechtbank deze vaste maatstaf niet heeft gehanteerd, gaat de Raad daarin niet mee. Zo is immers in de aangevallen uitspraak uitdrukkelijk (en gemotiveerd) overwogen dat de rechtbank “geen aanleiding (heeft) te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige” (onder 2.13) en dat de rechtbank “de overtuiging (heeft gekregen) dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker zich die dag op ongepaste wijze heeft gedragen tegenover de getuige en grensoverschrijdend handtastelijk is geweest” (onder 2.14).

3.6. Als op basis van het ingestelde onderzoek bewezen te achten plichtsverzuim heeft het college aan het ontslag ten grondslag gelegd dat appellant tijdens de boottocht zijn collega S meerdere keren (van achteren) bij haar middel heeft vastgepakt en met zijn handen omhoog is gegaan, waarbij hij ten minste een keer haar borsten heeft aangeraakt.

3.7. Evenals de rechtbank neemt de Raad deze gedragingen als vaststaand aan. Met de rechtbank en op basis van de daarvoor in de aangevallen uitspraak onder 2.13 gegeven argumenten acht de Raad de verklaringen hierover door S betrouwbaar. Appellant heeft gesteld dat de door S bij de rechtbank afgelegde verklaring dat de aanrakingen de hele dag door hebben plaatsgevonden niet juist kan zijn, omdat hij en S die dag maar (heel) beperkt in elkaars nabijheid zijn geweest. De Raad meent deze verklaring evenwel zo te moeten uitleggen dat appellant in de perceptie van S elke gelegenheid, verspreid over de dag, aangreep om haar aan te raken. Aanwijzingen dat deze perceptie is beïnvloed door het gebruik van alcoholhoudende drank, zoals appellant heeft gesuggereerd, ontbreken. De verklaringen van S worden geheel of deels bevestigd door verklaringen van de collega’s H en K. Daarnaast is niet zonder betekenis dat verscheidene collega’s na afloop van de boottocht blijkens hun verklaringen hebben gezien dat S overstuur was en huilde, terwijl ze zei dat dit te maken had met het gedrag van appellant op de boot.

3.8. Niet kan worden ingezien dat hieraan wezenlijk kan worden afgedaan door het horen van getuigen ter zitting van de Raad, zoals door appellant gevraagd. Heropening van het onderzoek is daarom niet nodig.

3.9. Appellant heeft zijn vrouwelijke collega S uiterst ongepast benaderd en haar ernstig in haar lichamelijke en persoonlijke integriteit aangetast. Dit appellant verweten gedrag is zo ernstig te achten dat het hem opgelegde strafontslag daaraan niet onevenredig is. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant nog in november 2008 door zijn leidinggevende is aangesproken op zijn te vrijpostige opmerkingen tegenover vrouwelijke collega’s. Daarbij is hem te verstaan gegeven dat hij veel meer afstand moet bewaren tot deze collega’s.

3.10. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad ziet tot slot geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD