Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
12-1386 WAO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening af. Geen sprake van een spoedeisend belang. Op geen enkele wijze heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij zijn vermogen niet kan aanwenden om hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak de gevolgen op te vangen van het nadeel dat hij stelt te lijden doordat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het griffierecht en de proceskosten die verzoeker heeft betaald om in eerste aanleg een voorlopige voorziening aan te vragen, niet heeft bepaald dat deze posten door het Uwv moeten worden vergoed. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1386 WAO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 13 april 2012.

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats], Spanje (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting heeft: T. Hoogenboom

Griffier: H.L. Schoor

Ter zitting zijn verschenen: mr. A.J.T.J. Meuwissen, gemachtigde van verzoeker, en mr. J. Visch, gemachtigde van het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. De voorzieningenrechter verwijst voor het procesverloop, de relevante feiten en de standpunten van partijen naar de dossierstukken en naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2012, 11/5851 WAO en 11/5852 WAO.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Ter zitting is namens verzoeker desgevraagd uiteengezet dat de spoedeisendheid in zijn geval is gelegen in het feit dat hij geen inkomsten meer heeft.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zijn stelling dat hij onvoldoende middelen heeft onvoldoende heeft onderbouwd met stukken. Daarnaast is ter zitting gebleken dat verzoeker in Spanje onroerend goed in eigendom heeft. Op geen enkele wijze heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij zijn vermogen niet kan aanwenden om hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak de gevolgen op te vangen van het nadeel dat hij stelt te lijden doordat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het griffierecht en de proceskosten die verzoeker heeft betaald om in eerste aanleg een voorlopige voorziening aan te vragen, niet heeft bepaald dat deze posten door het Uwv moeten worden vergoed. Van een spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.

5. Voor zover verzoeker met zijn verzoek om een voorlopige voorziening subsidiair heeft verzocht om toepassing van het in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde middel van “kortsluiting”, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 oktober 2008, LJN BF6776, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht, 13 april 2012

De griffier De voorzitter

(get.) H.L. Schoor (get.) T. Hoogenboom

TM