Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
10-2954 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-toeslag. Echtgenote was niet verzekerd voor de AOW als gevolg van haar dienstverband met de ESA. De uitsluiting van de echtgenote van betrokkene vloeit rechtstreeks voort uit de Zetelovereenkomst en de inwerkingtreding van dat verdrag heeft niet met terugwerkende kracht plaatsgevonden. De aanwijzing van ESA als volkenrechtelijke organisatie heeft plaatsgevonden bij het Besluit van 19 mei 1976, Stcrt. 1976, 190, waarbij het Besluit van 14 en 28 april 1971, Stcrt. 1971, 100 is gewijzigd. Aan deze beide besluiten is terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 1968. De omstandigheid dat ESA eerst met terugwerkende kracht bij de genoemde besluiten is aangewezen als vrijgestelde organisatie kan er echter niet toe leiden dat de echtgenote over de periode in geding als verzekerd voor de AOW moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/163

Uitspraak

10/2954 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2010, 08/3251 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats]e (betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden, waarop betrokkene heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en A. van der Weerd. Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De echtgenote van betrokkene, [naam echtgenote], geboren [in] 1946 heeft vanaf 25 februari 1967 in Nederland gewoond. In de periode van 2 oktober 1967 tot en met 23 mei 1974 heeft zij werkzaamheden in dienstbetrekking verricht voor ESRO, thans European Space Agency (ESA). Bij besluit van 7 november 2007 heeft appellant betrokkene een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en toeslag toegekend, waarbij op de toeslag een korting van 24% is toegepast.

1.2. Het bezwaar van betrokkene is bij besluit van 9 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 april 2008 vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en bepaald dat appellant aan betrokkene het betaalde griffierecht vergoedt. Naar het oordeel van de rechtbank is de echtgenote van betrokkene ten onrechte als niet verzekerd aangemerkt over de periode van 1 januari 1968 tot en met 23 mei 1974, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, Stb. 1968, 575 (KB 575) voor uitsluiting van de verzekering.

3. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de echtgenote van betrokkene in de periode in geding niet verzekerd was voor de AOW. Betrokkene is het eens met de aangevallen uitspraak en stelt dat zijn echtgenote in deze periode als verzekerd moet worden aangemerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Organisatie voor ruimteonderzoek inzake de oprichting en het functioneren van het Europese Centrum voor ruimtevaarttechniek van 2 februari 1967 (Zetelovereenkomst) zijn de organisatie, haar Directeur-Generaal en de leden van het stafpersoneel op wie het stelsel van de organisatie van toepassing is, niet gedekt tegen de risico's omschreven in de Nederlandse regelingen inzake de sociale zekerheid. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote in de periode in geding in dienst was van ESA en op die grond als lid van het stafpersoneel moet worden aangemerkt.

4.1.2. Appellant heeft gesteld dat de echtgenote niet verzekerd was, omdat uit artikel 25 van de Zetelovereenkomst voortvloeit dat zij als lid van het stafpersoneel van ESA niet is gedekt tegen de risico's omschreven in de Nederlandse regelingen inzake de sociale zekerheid. Deze stelling is juist. De rechtbank heeft miskend dat de echtgenote in de periode in geding op grond van deze bepaling van het Nederlandse stelsel was vrijgesteld.

4.1.3. Betrokkene heeft gesteld dat het socialezekerheidsstelsel van ESA niet van toepassing is omdat dit onvoldoende subjectieve elementen bevat die het vergelijkbaar maken met het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid. Daarbij is gewezen op de uitspraak van 22 december 2006, LJN AZ5225. Deze stelling moet worden verworpen, omdat de vrijstelling van de Nederlandse regelingen in artikel 25 van de Zetelovereenkomst niet afhankelijk is gesteld van het bestaan van een met het Nederlandse stelsel vergelijkbare dekking. Het beroep van betrokkene op de uitspraak van 22 december 2006 gaat niet op, reeds omdat in deze uitspraak toepassing is gegeven aan een latere zetelovereenkomst waarin de toepassing van het stelsel van de ESA wel afhankelijk is gesteld van een vergelijkbare dekking.

4.2.1. Het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op de conclusie dat de echtgenote niet op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van KB 575 van de verzekering is uitgesloten, omdat op haar geen regeling inzake uitkering wegens ouderdom en overlijden van een volkenrechtelijke organisatie van toepassing was. Het zogeheten Provident Fund is volgens de rechtbank niet als een zodanige regeling aan te merken. Betrokkene heeft zich hiermee verenigd. Appellant heeft staande gehouden dat het Provident Fund een regeling is in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van KB 575.

4.2.2. Daargelaten of hieraan kan worden toegekomen na de onder 4.1.2 en 4.1.3 gegeven oordelen, is de Raad van oordeel dat het Provident Fund als een regeling inzake uitkering wegens ouderdom en overlijden van een volkenrechtelijke organisatie moet worden aangemerkt. Uit de door ESA gegeven toelichting volgt dat het Provident Fund onmiskenbaar (mede) gericht was op het bieden van een ouderdomsvoorziening. In een brief van 24 juni 2008 van ESA is meegedeeld dat ESA in de periode in geding nog geen Pension scheme kende maar wel een Social Security scheme had, waaronder het Provident Fund. Het Provident Fund is opgezet om een voorziening te treffen voor de oude dag en in geval van beëindiging van de dienstbetrekking om welke reden dan ook.

Aan het karakter van het Provident Fund doet niet af dat de echtgenote niet is toegelaten tot de - eerst na haar uitdiensttreding ingevoerde - periodieke pensioenregeling. ESA heeft in dit verband in een brief van 17 augustus 2010 toegelicht dat het stelsel vóór 1 juli 1974 geen opbouw van recht op periodiek uit te keren ouderdomspensioen omvatte. In plaats daarvan bestond recht tot het opbouwen van het Provident Fund. Bij de beëindiging van de dienstbetrekking is de waarde van dit fonds uitgekeerd aan de echtgenote van betrokkene. Zij kwam niet in aanmerking voor deelname aan de periodieke pensioenregeling. Evenmin doet aan het karakter van het Provident Fund af, dat aan de echtgenote daaruit na uitdiensttreding slechts een gering bedrag zou zijn uitgekeerd.

4.3.1. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitsluiting van zijn echtgenote van verzekering voor de AOW ten onrechte met terugwerkende kracht is ingegaan. Betrokkene is niet eerder dan in 2007 meegedeeld dat zijn echtgenote over de periode niet verzekerd was. Daardoor zijn zij niet in staat gesteld om vroegtijdig maatregelen te treffen zoals vrijwillige verzekering, om het pensioengat te vullen.

4.3.2. De Raad overweegt dat de uitsluiting van de echtgenote van betrokkene rechtstreeks voortvloeit uit de Zetelovereenkomst en dat de inwerkingtreding van dat verdrag niet met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden. Voorts overweegt de Raad dat de aanwijzing van ESA als volkenrechtelijke organisatie heeft plaatsgevonden bij het Besluit van 19 mei 1976, Stcrt. 1976, 190, waarbij het Besluit van 14 en 28 april 1971, Stcrt. 1971, 100 is gewijzigd. Aan deze beide besluiten is terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 1968. De omstandigheid dat ESA eerst met terugwerkende kracht bij de genoemde besluiten is aangewezen als vrijgestelde organisatie kan er echter niet toe leiden dat de echtgenote over de periode in geding als verzekerd voor de AOW moet worden beschouwd. Zoals ook in de Nota van Toelichting van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746 tot uitdrukking is gebracht, is de aanwijzing van een volkenrechtelijke organisatie in de eerste plaats een codificatie van hetgeen in de zetelovereenkomsten is vastgesteld.

4.3.3. Onbekendheid van betrokkene en zijn echtgenote met de geldende regelgeving kan niet tot een ander oordeel leiden. Het lag op de weg van betrokkene om bij ESA dan wel appellant om nadere informatie in te winnen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de echtgenote van betrokkene over de periode in geding als niet verzekerd voor de AOW moet worden aangemerkt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 april 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) van J.R. Baas.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

EK