Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
09-6563 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. Betreffende de terugvordering kan appellant niet worden aangemerkt als gezinslid als bedoeld in artikel 59, eerste lid van de WWB, zodat het college niet bevoegd was tot terugvordering van appellant van de aan appellante over de periode van 9 oktober 2003 tot 7 september 2006 verleende bijstand. Vernietiging besluit voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering van appellant. Nieuw besluit op bezwaar ten aanzien van de terugvordering.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/154
JWWB 2012/86
RSV 2012/153

Uitspraak

09/6563 WWB

09/6564 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 29 oktober 2009, 08/1171 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.G. Hage, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.G.M.E. Poppe.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 9 oktober 2003 tot 7 september 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant had vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning geen recht op bijstand. Nadat aan appellant een verblijfsvergunning was verleend ontvingen appellanten in de periode van 7 september 2006 tot 7 mei 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante respectievelijk aan appellanten verleende bijstand. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant beschikt over drie rekeningen bij ABN AMRO Bank die niet bij het college bekend waren. Op die rekeningen hebben vanaf oktober 2003 geregeld kasstortingen en mutaties plaatsgevonden.

1.3. Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college de bijstand met ingang van 9 oktober 2003 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 oktober 2003 tot 7 mei 2007 tot een bedrag van € 59.623,17 van appellanten teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen mededeling hebben gedaan van de op naam van appellant staande bankrekeningen en de daarop zichtbare geldstromen en evenmin duidelijkheid hebben verschaft over de herkomst van de bedragen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 4 november 2008 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 24 april 2008 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben - samengevat - aangevoerd dat de periode van terugvordering te lang is, omdat op appellant pas vanaf 7 september 2006 de inlichtingenverplichting rustte. Tevens is aangevoerd dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet in verhouding staat tot de hoogte van de stortingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellanten gedurende de gehele periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden en daarom voor de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) en WWB als gehuwden dienden te worden aangemerkt. Zoals reeds in 1.1 is vermeld had appellant in verband met zijn verblijfrechtelijke status tot

7 september 2006 geen recht op bijstand.

4.2. Artikel 50, eerste en vierde lid, van de Abw en artikel 32, derde lid, van de WWB bepalen dat indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, zijn inkomen slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Op grond van deze bepalingen in verbinding met de in de artikelen 65, eerste en tweede lid, van de Abw en 17, eerste lid en tweede lid, van de WWB opgenomen inlichtingen- en medewerkingsverplichting, was appellante dan ook in de periode vóór 7 september 2006 gehouden inzicht te verstrekken in de financiële situatie van appellant en mee te werken aan een onderzoek om het inkomen van appellant te kunnen vaststellen. Vanaf 7 september 2006 was ook appellant op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB daartoe verplicht.

4.3. Vaststaat dat appellant ten tijde in geding de beschikking had over drie bankrekeningen bij de ABN AMRO Bank, dat op deze bankrekeningen diverse bedragen zijn gestort en bijgeschreven en dat appellanten van deze bankrekeningen, noch van de daarop zichtbare geldstromen melding bij het college hebben gemaakt. Aangezien het hier gaat om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening of voortzetting van bijstand, had appellante en, voor de periode dat gezinsbijstand is verleend, ook appellant daarvan uit eigen beweging opgave moeten doen. De stelling dat appellante niet op de hoogte was van de activiteiten van appellant en van het bestaan van de op zijn naam staande bankrekeningen leidt niet tot een ander oordeel. De inlichtingenverplichting strekt zich immers in geval van gehuwden eveneens uit tot de partner, ook als het een niet rechthebbende partner betreft. Appellante kan zich dan ook niet met vrucht beroepen op onbekendheid met het doen en laten van appellant.

4.4. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende bijstand) bestond.

4.5. Vaststaat dat er in de in geding zijnde periode met grote regelmaat wisselende en soms grote bedragen, tot zelfs € 5.390,--, in contanten op de verschillende bankrekeningen van appellant zijn gestort voor een totaalbedrag van € 27.981,-- (exclusief de drie overschrijvingen vanuit het buitenland van kennissen voor de aanschaf en export van auto’s). Appellanten hebben geen afdoende verklaring gegeven voor de herkomst van de stortingen. De door appellant gegeven verklaring dat de stortingen afkomstig zijn van giften en spaargeld en dat hij gelden van anderen beheerde, is op geen enkele wijze door middel van objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Gelet op de grote onduidelijkheid die appellanten hebben geschapen en hebben laten voortbestaan over de herkomst van de gestorte bedragen en gezien de hoogte en frequentie van de stortingen ten tijde van belang, heeft het college terecht rekening gehouden met de mogelijkheid dat appellanten daarnaast ook middelen hebben verkregen die niet in de stortingen zijn begrepen. Hierbij is van belang dat appellant heeft verklaard dat hij ‘zwart’ werkzaamheden heeft verricht en hiermee inkomsten heeft verworven. Voor deze werkzaamheden is tevens een aanwijzing te vinden in de vele pintransacties bij tankstations in het gehele land en het feit dat de kasstortingen op verschillende plaatsen in Nederland hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft appellant verklaard dat hij bemiddelde bij de aanschaf van auto’s voor derden. Gelet op het voorgaande heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand in de gehele in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld. Dit voert tot de conclusie dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante en voor wat betreft de periode dat gezinsbijstand is verleend van appellanten in te trekken. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is niet bestreden.

4.6. Met betrekking tot het besluit tot terugvordering van appellanten is het volgende van belang. Het besluit tot terugvordering ziet op de aan appellante toegekende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode van 9 oktober 2003 tot 7 september 2006 en de aan appellanten toegekende bijstand naar de norm voor gehuwden over de periode van 7 september 2006 tot 7 mei 2007. Het college heeft aan dit besluit artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ten grondslag gelegd.

4.7. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Artikel 59, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, kosten van bijstand, onverminderd artikel 58, van alle gezinsleden kunnen worden teruggevorderd.

4.8. Met betrekking tot de periode van 7 september 2006 tot 7 mei 2007 is aan appellanten gezinsbijstand verleend en was het college - gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen - bevoegd de gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Appellanten hebben de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet bestreden. Tevens was het college bevoegd de over de periode van 9 oktober 2003 tot 7 september 2006 aan appellante verleende bijstand van haar terug te vorderen. De wijze van uitoefening van deze bevoegdheid is door appellante evenmin bestreden.

4.9. Ten aanzien van de periode van 9 oktober 2003 tot 7 september 2006 is van belang dat appellant als niet rechthebbende partner niet in de aan appellante verleende bijstand was begrepen. De door het college vastgestelde bijstandnorm voor appellante was er juist op gericht om te voorkomen dat indirect aan appellant bijstand werd verleend. Vergelijk voor wat betreft de toepassing van artikel 84 van de Abw de uitspraken van de Raad van 2 april 2002, LJN AE1887 en van 9 december 2003, LJN AO6886. De Raad ziet geen aanleiding hierover onder de WWB anders te oordelen, nu de in artikel 59 van de WWB neergelegde mogelijkheid tot terugvordering inhoudelijk overeenkomt met hetgeen in artikel 84 van de Abw was bepaald. Dit betekent dat appellant niet kan worden aangemerkt als gezinslid als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de WWB. Het voorgaande brengt mee dat over genoemde periode niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, eerste lid, van de WWB is voldaan, zodat het college niet bevoegd was tot terugvordering van appellant van de aan appellante over de periode van 9 oktober 2003 tot 7 september 2006 verleende bijstand.

4.10. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering van appellant. Aangezien de terugvordering als één geheel moet worden beschouwd, geldt dit voor de gehele in dit geding zijnde periode.

4.11. De Raad zal het college opdragen ten aanzien van de terugvordering van appellant een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Gelet op hetgeen onder 4.8 is overwogen kan het college er daarbij van uitgaan dat het wel bevoegd is over te gaan tot terugvordering van appellant van de kosten van de over de periode van 7 september 2006 tot 7 mei 2007 verleende bijstand. Bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellant zal het college tevens een beslissing moeten nemen over de in de bezwaarfase verzochte vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand.

4.12. In hetgeen onder 4.10 en 4.11 is overwogen ligt besloten dat er in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschilbeslechting. Bij de door het college uit te voeren berekening van het van appellant terug te vorderen bedrag over de periode van 7 september 2006 tot

7 mei 2007 gaat het immers slechts om een financiële uitwerking die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren.

5. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 322,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellant

ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep van appellant gegrond en vernietigt het besluit van 4 november

2008 voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering van appellant;

- draagt het college op ten aanzien van de terugvordering van appellant een nieuw besluit

op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 759,--,

te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 149,-- vergoedt;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD