Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
11-6622 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag. Ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/140

Uitspraak

11/6622 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 oktober 2011, 11/4673 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Hollands Midden (korpsbeheerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich, daartoe opgeroepen bij gemachtigde, laten vertegenwoordigen door mr. G. Revet.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1Appellant was sinds 2003 als medewerker arrestantenzorg werkzaam bij

de korpsbeheerder.

1.2. Bij brief van 31 augustus 2009 heeft de korpsbeheerder aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Naar aanleiding van de door appellant ingediende zienswijzen is de korpsbeheerder bij besluit van 30 november 2009 teruggekomen van zijn voornemen tot ontslag. Daarbij is aan appellant een aantal verbeterpunten meegegeven. Appellant dient onder meer open te zijn over zijn schuldensituatie. Ook is meegedeeld dat indien de schulden verergeren of door hem gemaakte afspraken met de schuldsanering lijken te stagneren, voor de korpsbeheerder een nieuwe situatie ontstaat, waarin de korpsbeheerder zal beoordelen of dit te wijten is aan eigen schuld en toedoen en of sprake is van plichtsverzuim.

1.3. Bij uitspraak van 4 maart 2010, 08/146 heeft de rechtbank, op de voordracht van de rechter-commissaris van 26 oktober 2009, de schuldsaneringsregeling van appellant beëindigd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn informatieverplichting niet is nagekomen. Vervolgens is op 13 maart 2010 het faillissement van appellant uitgesproken.

1.4. Appellant heeft op 19 april 2010 en op 26 april 2010 gesprekken gevoerd met zijn leidinggevende. Eerst na herhaald vragen is het de leidinggevende duidelijk geworden dat de schuldsaneringsregeling is beëindigd en dat het faillissement van appellant is uitgesproken.

1.5. Bij brief van 9 juli 2010 heeft de korpsbeheerder aan appellant meegedeeld voornemens te zijn hem de straf van ontslag op te leggen wegens ernstig plichtsverzuim. Daartegen heeft appellant zienswijzen ingediend.

1.6. Bij besluit van 7 september 2010 heeft de korpsbeheerder aan appellant de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Daaraan heeft de korpsbeheerder ten grondslag gelegd dat appellant, ondanks de in het besluit van 30 november 2009 opgenomen verbeterpunten, de verplichtingen in het kader van de schuldsanering niet is nagekomen en geen opening van zaken heeft gegeven over zijn financiële situatie. Appellant heeft pas na herhaald vragen meegedeeld dat hij failliet is verklaard. Doordat appellant geen verantwoordelijkheid heeft genomen, is appellant volgens de korpsbeheerder een veiligheidsrisico geworden.

2. Bij besluit van 11 april 2011 (bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het standpunt van de korpsbeheerder dat appellant geen, althans onvoldoende, opening van zaken heeft gegeven over zijn financiële positie terwijl dit wel van hem mocht worden verlangd. Zo heeft hij nagelaten de korpsbeheerder tijdig op de hoogte te brengen van het op handen zijnde einde van de schuldsaneringsregeling, terwijl hij voor 30 november 2009 al wist dat hij de afspraken in het kader van de schuldsanering onvoldoende was nagekomen en dat de schuldsaneringsregeling zou worden beëindigd. Ook heeft appellant pas na herhaaldelijk doorvragen door de korpsbeheerder meegedeeld dat hij failliet was verklaard. Door geen duidelijkheid te verschaffen over zijn schuldenpositie heeft appellant onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef getoond ten aanzien van zijn rol in de politieorganisatie. Daarbij werd niet van appellant verlangd dat hij de werkgever op de hoogte zou stellen van alle financiële details, waarin hij zelf mogelijk ook niet voldoende inzicht had, maar wel dat hij de grote lijnen zou melden. Door dat niet te doen heeft appellant zich niet als een integer en betrouwbaar ambtenaar gedragen, hetgeen van hem als medewerker arrestantenzorg wel mocht worden verwacht. De korpsbeheerder heeft deze gedragingen dan ook terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt.

4.2. Niet gebleken is dat appellant voormeld plichtsverzuim niet ten volle kan worden toegerekend. Niet is komen vast te staan dat de door appellant gestelde psychische problemen zodanig waren dat niet van hem verlangd kon worden om de gemaakte afspraken na te komen. Dit betekent dat de korpsbeheerder de bevoegdheid toekwam appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.3. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan dit verzuim. Daarbij betrekt de Raad dat appellant een gewaarschuwd man was en wist dat het niet nakomen van de afspraken gevolgen zijn kunnen hebben voor zijn dienstverband. Bovendien heeft de korpsbeheerder regelmatig gesprekken gevoerd met appellant en hulp aangeboden bij het oplossen van zijn financiële problemen. Dat appellant daar geen gebruik van heeft gemaakt dient voor zijn risico en rekening te komen. De langdurige staat van dienst van appellant en de omstandigheid dat appellant een groot (financieel) belang heeft bij voortzetting van zijn dienstverband werpen daartegenover te weinig gewicht in de schaal.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD