Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
10-4986 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Door van de ontvangst van de schadevergoeding geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het college was bevoegd informatie bij de Belastingdienst op te vragen die betrekking heeft op het eindsaldo van 2005, omdat appellant in dat jaar nog bijstand heeft ontvangen en deze informatie van belang is voor het verrichten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Het college heeft de door appellant ontvangen schadevergoeding terecht aangemerkt als middelen waarmee bij de verlening van bijstand rekening gehouden moet worden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er voldoende, op objectiveerbare gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat de aanspraken aan een andere, latere, periode dienen te worden toegerekend. Onjuiste grondslag. Het college heeft miskend dat over de periode van 9 november 2003 tot 25 oktober 2005 geen sprake is van ten onrechte verleende bijstand maar van naderhand verkregen middelen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van de terugvordering in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/105

Uitspraak

10/4986 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 juli 2010, 09/321 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Haren en vergezeld van de tolk M.A. van der Kleij, tolk in de Engelse taal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant ontvangt sinds 8 januari 1990, met onderbrekingen, bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.1. Het college heeft de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2005 beëindigd op de grond dat hij niet reageerde op uitnodigingsbrieven van de afdeling sociale zaken van de gemeente Utrecht, in verband met de omzetting van de bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de WWB.

1.2. Naar aanleiding van een vermogenssignaal van mei 2007 van het Inlichtingenbureau van de Belastingsdienst, waaruit bleek dat het banksaldo van appellant op meerdere rekeningen op 31 december 2005 in totaal € 13.681,-- bedroeg en dat appellant beschikte over bankrekeningen die bij het college niet bekend waren, heeft de sociale recherche van Utrecht een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van het onderzoek heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, met toestemming van de officier van justitie bankgegevens opgevraagd en appellant verhoord. Daaruit heeft het college de conclusie getrokken dat appellant sinds 19 juli 2002 in dienst was bij [naam werkgever]. Verder is gebleken dat appellant op 27 januari 2005 € 12.000,--, op 4 augustus 2005 € 5.000,--, op 20 september 2005 € 5.000,-- en op 25 oktober 2005 € 72.500,-- van Achmea heeft ontvangen wegens vergoeding van schade tengevolge van een hem op 9 november 2003 overkomen ongeval. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 15 april 2008.

1.3. Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het college bij besluit van 4 april 2008 de bijstand van appellant over de periode van 19 juli 2002 tot en met 4 februari 2003 en van 29 oktober 2003 tot en met 30 november 2005 ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en de kosten van de over deze periode verleende bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 33.421,93 (bruto). Het college heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten. Verder heeft het college appellant erop gewezen dat hij nog een drietal oude schulden aan het college heeft tot een totaal bedrag van € 10.176,38 (bruto). Vermeerderd met de nieuwe vordering bedraagt de totale vordering € 43.598,31 (bruto).

1.4. Bij besluit van 15 december 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2008 gegrond verklaard, in die zin dat niet langer aan de besluitvorming ten grondslag wordt gelegd dat appellant inkomsten uit loondienst heeft genoten. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door hem ontvangen schadevergoeding tot een bedrag van € 94.500,--. Deze schadevergoeding moet worden toegerekend aan de periode vanaf de datum van het ongeval, 9 november 2003. De bijstand over de periode van 9 november 2003 tot en met 30 november 2005 wordt ingetrokken en tot een bedrag van € 26.425,75 van appellant teruggevorderd op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB. Rekening houdend met de oude schulden van € 10.176,38 (bruto) bedraagt de totale terugvordering € 36.602,13 (bruto). Over de oude schulden heeft het college opgemerkt dat deze niet meer ter discussie kunnen staan, aangezien deze bij eerdere terugvorderingsbesluiten in rechte vaststaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college bij de beslissing op bezwaar ten onrechte een geheel andere grond aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd dan bij het primaire besluit. Het college had een nieuw primair besluit moeten nemen. Nu is hem een rechtsgang onthouden. Het college heeft ten onrechte na afloop van de bijstandsverlening onderzoek gedaan naar de in het verleden aan hem verleende bijstand. De rechtbank heeft ten onrechte de terugvordering van de oude schulden buiten de omvang van het geding gelaten. Appellant beroept zich op verjaring van deze vorderingen. Appellant is verder van mening dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Indien hij deze verplichting al zou hebben geschonden, dan kan dat niet eerder zijn geweest dan vanaf

27 januari 2005, de datum waarop hij de eerste storting van Achmea heeft ontvangen. Bovendien was het college op de hoogte van het ongeval dat appellant was overkomen en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid. De schadevergoeding is niet opgesteld aan de hand van specifieke schadeposten maar als een zogeheten lump sum verstrekt. Appellant is van mening dat de schadevergoeding voor een deel aangemerkt moet worden als smartengeld en toegerekend moet worden aan een langere periode. Appellant is van mening dat gelet op zijn zeer slechte gezondheidstoestand sprake is van dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wat betreft de stelling van appellant dat het college een nieuw primair besluit had moeten nemen is van belang dat artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, indien het bezwaar ontvankelijk is, op de grondslag daarvan een heroverweging moet plaatsvinden van het bestreden, primaire besluit. De systematiek en uitgangspunten van de Awb brengen ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift mee dat een aangevochten besluit in volle omvang wordt heroverwogen. Ten gevolge daarvan kan blijken dat een besluit niet kan worden gehandhaafd, wat er vervolgens toe kan leiden dat een besluit dat is gebaseerd op een andere grondslag daarvoor in de plaats wordt gesteld. Appellant heeft tijdens de op 14 juli 2008 gehouden hoorzitting kunnen reageren op het gewijzigde standpunt van het college, zodat hij niet in zijn processuele belangen is geschaad. Het college heeft in bezwaar de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 19 juli 2002 tot en met 4 februari 2003 niet gehandhaafd en daarmee het terugvorderingsbedrag verminderd, zodat appellant na bezwaar niet in een slechtere positie is gebracht. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

4.2. Bij het bestreden besluit heeft het college appellant er weer op gewezen dat hij nog een schuld heeft tot een bedrag van € 10.176,38. Deze opmerking is aan te merken als een mededeling van informatieve aard. Omdat die mededeling niet op rechtsgevolg is gericht, is het geen besluit of onderdeel daarvan. De rechtbank heeft de beroepsgronden die appellant tegen dit onderdeel heeft gericht, daarom terecht buiten de omvang van het geding gelaten.

4.3. Appellant heeft betwist dat het college bevoegd was informatie op te vragen bij de Belastingdienst over een periode waarin hij geen bijstand meer ontving. De WWB geeft regels voor het verrichten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand door middel van de uitwisseling van gegevens zoals hier aan de orde is. Op grond van artikel 53a, tweede lid, van de WWB is het college bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Ingevolge artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB, voor zover hier van belang, is de Belastingdienst verplicht desgevraagd aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Het college was bevoegd informatie bij de Belastingdienst op te vragen die betrekking heeft op het eindsaldo van 2005, omdat appellant in dat jaar nog bijstand heeft ontvangen en deze informatie van belang is voor het verrichten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Eerst toen uit onderzoek bleek dat appellant beschikte over bankrekeningen die niet bekend waren bij het college heeft het college nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand over de jaren vanaf 2002. De beroepsgrond van appellant kan dan ook niet slagen.

4.4. Appellant heeft in de periode van 27 januari 2005 tot en met 25 oktober 2005 in totaal een bedrag van € 94.500,-- ontvangen als schadevergoeding wegens een ongeval dat hem op 9 november 2003 is overkomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een gedeelte van de toegekende schadevergoeding in de vorm van smartengeld is toegekend, zodat niet is vast te stellen of een gedeelte van de schadevergoeding op grond van de artikelen 43, eerste lid, onder k, van de Abw en 31, tweede lid, onder m, van de WWB niet tot zijn middelen gerekend dient te worden. Dit betekent dat het college de door appellant ontvangen stortingen terecht heeft aangemerkt als middelen waarmee op grond van artikel 42 van de Abw en artikel 31, eerste lid, van de WWB bij de verlening van bijstand rekening gehouden moet worden.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2003, LJN AF6329, geldt als uitgangspunt dat, indien recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval, de aanspraken ter zake worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van dat ongeval. Dit is slechts anders indien er voldoende, op objectiveerbare gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere, periode dienen te worden toegerekend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit hier het geval is. Dit betekent dat het college de schadevergoeding terecht heeft toegerekend aan de periode vanaf 9 november 2003.

4.6. Over de periode van 25 oktober 2005 tot en met 30 november 2005 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Vanaf dat moment beschikte appellant over middelen waarmee voor de verlening van bijstand rekening moest worden gehouden, zodat appellant daarvan bij het college melding had moeten maken. De bijstand over de periode van 25 oktober 2005 tot en met 30 november 2005 is dan ook terecht op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken, omdat appellant op dat moment beschikte over meer vermogen dan het vrij te laten vermogen van

€ 5.105,--.

4.7. Over de periode tot 25 oktober 2005 is een deel van de door appellant ontvangen schadevergoeding, gelet op de aard en omvang van de betalingen en op wat is overwogen in 4.4 en 4.5, aan te merken als naderhand verkregen middelen ter hoogte van de bijstand. Door van de ontvangst van de schadevergoeding geen melding te maken bij het college heeft appellant vanaf 27 januari 2005 de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat sprake is van naderhand verkregen middelen heeft appellant tot 25 oktober 2005 niet ten onrechte bijstand ontvangen. Door aan de intrekking van bijstand over de periode van 9 november 2003 tot 25 oktober 2005 artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ten grondslag te leggen, heeft het college miskend dat geen sprake is van ten onrechte verleende bijstand maar van naderhand verkregen middelen. Om die reden kan ook de terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet in stand blijven. Het bestreden besluit kan dan ook in zoverre wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dit beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 9 november 2003 tot 25 oktober 2005 en op de terugvordering in zijn geheel wegens strijd met de artikelen 54, derde lid, aanhef en onder a, en 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Omdat het besluit van 4 april 2008 wat betreft de intrekking over deze periode op dezelfde onhoudbare grond berust, zal de Raad dit besluit in zoverre herroepen. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van de terugvordering in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

4.8. Vast staat dat appellant in de periode van 27 januari 2005 tot 25 oktober 2005 schadevergoeding heeft ontvangen. Vanaf dat moment is sprake van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB. Dit brengt mee dat de ten behoeve van appellant over de periode van 9 november 2003 tot 25 oktober 2005 gemaakte kosten van bijstand volledig in aanmerking komen voor terugvordering op grond van dit artikelonderdeel. Het college voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien hiertoe dringende redenen aanwezig zijn. Volledige terugvordering is in overeenstemming met dit beleid ter zake. In wat appellant heeft aangevoerd is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van dat beleid had moeten afwijken.

4.9. Met betrekking tot de periode van 25 oktober 2005 tot en met 30 november 2005 volgt uit wat is overwogen in 4.6 dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was de kosten van bijstand over genoemde periode van appellant terug te vorderen. In wat appellant heeft aangevoerd is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid, zoals genoemd in 4.8, had moeten afwijken. De rechtsgevolgen van de terugvordering over de periode van 9 november 2003 tot en met 30 november 2005 kunnen dan ook in stand blijven.

4.10. Gelet op wat in 4.7 tot en met 4.9 is overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het bestreden besluit vernietigen ten aanzien van de intrekking van bijstand over de periode van 9 november 2003 tot 25 oktober 2005 en het besluit van 4 april 2008 in zoverre herroepen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit met betrekking tot de intrekking. Voorts ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit ten aanzien van de terugvordering in zijn geheel te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in zoverre in stand blijven.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 december 2008 ten aanzien van de intrekking van bijstand

over de periode van 9 november 2003 tot 25 oktober 2005;

- herroept het besluit van 4 april 2008 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre

in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 december 2008;

- vernietigt het besluit van 15 december 2008 ten aanzien van de terugvordering in zijn

geheel en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in

zoverre in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,--,

waarvan € 874,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 150,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD