Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
10-3405 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering. Appellant heeft door eigen toedoen zijn baan verloren. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van overmacht niet op tijd op zijn werk kon komen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat appellant had kunnen voorkomen dat hij te laat kwam door wat vroeger van huis te vertrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3405 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2010, 10/310 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 maart 2012, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 15 april 2009 tot en met 1 juni 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 1 juni 2009 is appellant in dienst getreden bij [naam werkgever] (werkgever) als junior accountmanager op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd opgenomen van twee maanden. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd met ingang van 13 juli 2009 opgezegd.

1.2. Appellant heeft zich op 14 juli 2009 gemeld om bijstand aan te vragen. Op het aanvraagformulier heeft appellant ingevuld dat hij ontslag heeft gekregen omdat hij te laat op zijn werk kwam. Het college heeft appellant bijstand toegekend met ingang van 14 juli 2009. Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft het college de bijstand van appellant verlaagd met € 906,55. Daarbij is overwogen dat appellant tijdens de intake te kennen heeft gegeven in de periode van 28 mei 2009 tot en met 13 juli 2009 meerdere keren niet tijdig op het werk te zijn verschenen zonder een geldige reden en dat dit voor de werkgever een reden is geweest om de arbeidsovereenkomst in de proeftijd op te zeggen. Volgens het college heeft appellant niet voldoende zijn best gedaan om zijn werk te behouden.

1.3. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 27 augustus 2009 gemaakte bezwaar heeft het college informatie bij de werkgever ingewonnen. De werkgever heeft te kennen gegeven dat appellant in de proeftijd is ontslagen omdat hij vier maal te laat op zijn werk is gekomen, hij zijn target niet haalde, zich zonder overleg met zijn leidinggevende bezig hield met privé-zaken onder werktijd en niet te bereiken was onder werktijd. Voorts hield appellant zich niet aan bepaalde afspraken, zoals de afspraak om geen privé-zaken onder werktijd af te handelen.

1.4. Bij besluit van 9 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat, gezien de van de werkgever ontvangen informatie, appellant door eigen toedoen een beroep heeft moeten doen op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant een deel van de door de werkgever gehanteerde ontslaggronden heeft betwist, maar zijn stellingen hieromtrent niet heeft onderbouwd. Bovendien heeft appellant erkend dat hij ten minste twee maal te laat op het werk is verschenen en heeft hij niet betwist dat hij zijn target niet heeft gehaald. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant reeds daarom zijn baan door eigen toedoen heeft verloren en daarmee een tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan in de zin van artikel 18, tweede lid, van de WWB heeft betoond. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat aan de zijde van appellant met betrekking tot het ontslag elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant handhaaft de gronden van het beroep en geeft te kennen dat het voorlopig aanvullende beroepschrift van 11 maart 2010 als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Met name verwijst appellant naar hetgeen in dat beroepschrift onder punt 25 is vermeld. Appellant werpt daar de vraag op of er wel sprake is van een regelmatig ontslag en meldt dat hij in afwachting van de arbeidsrechtelijke beslechting van de zaak zekerheidshalve beroep instelt om de termijn niet ongebruikt te laten verstrijken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad begrijpt het hoger beroepschrift van appellant aldus dat appellant het oordeel van de rechtbank bestrijdt dat hij door eigen toedoen zijn baan heeft verloren.

4.2. Deze beroepsgrond treft geen doel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant door eigen toedoen zijn baan heeft verloren. De Raad verenigt zich met de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust. Appellant heeft in beroep gesteld dat hij de eerste maal slechts vijf minuten en de tweede maal slechts tien minuten te laat op zijn werk is verschenen, dat dit gebeurde met een tussenpoos van ongeveer drie weken, dat de oorzaak van het te laat komen was dat hij in de file tussen Amsterdam en Amersfoort stond en dat het te laat komen, door wat langer door te werken, gemakkelijk is te herstellen. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat de werkgever appellant niet aan de voor hem geldende werktijden mocht houden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van overmacht niet op tijd op zijn werk kon komen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat appellant had kunnen voorkomen dat hij te laat kwam door wat vroeger van huis te vertrekken.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD