Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
11-4608 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging en intrekking inkomensvoorziening. De wetsgeschiedenis sluit een intrekking van de inkomensvoorziening met toepassing van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ niet uit in de situatie waarin geen recht op de inkomensvoorziening bestaat omdat uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen niet wil nakomen. Dit betekent dat het college de intrekking van de inkomensvoorziening van appellant heeft gebaseerd op een juiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat uit de houding en gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen niet wil nakomen. Hieruit volgt dat appellant geen recht had op de inkomensvoorziening. Het college was daardoor bevoegd over te gaan tot intrekking van de inkomensvoorziening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Wetsverwijzingen
Wet investeren in jongeren 30, geldigheid: 2012-04-24
Wet investeren in jongeren 42, geldigheid: 2012-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/148
RSV 2012/154
JWWB 2012/106

Uitspraak

11/4608 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2011, 11/809 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak: 24 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Balkema. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.E.M. Wagener.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1 juli 2010 een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college heeft appellant een werkleeraanbod gedaan in de vorm van een traject bij het Arbeids- en trainingscentrum (ATC).

1.2. Bij - ongedateerd - besluit, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de inkomensvoorziening van appellant over de periode van 4 oktober 2010 tot en met 10 oktober 2010 ingetrokken en met ingang van 11 oktober 2010 beëindigd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit houding en gedragingen van appellant ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wil nakomen waardoor de inkomensvoorziening ten onrechte is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat de beëindiging van de inkomensvoorziening rechtmatig is en dat de intrekking van de inkomensvoorziening van appellant had moeten worden gebaseerd op een andere wettelijke grondslag en voor het overige - ook - rechtmatig is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en een oordeel is gegeven over de intrekking van de inkomensvoorziening.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In geschil is of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de inkomensvoorziening van appellant, terecht in stand heeft gelaten.

4.2.1. Artikel 24 van de WIJ bepaalt in welke gevallen de jongere, die een aanvraag om een werkleeraanbod heeft ingediend, recht heeft op een inkomensvoorziening.

4.2.2. Artikel 40, derde lid, van de WIJ bepaalt dat het college een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening kan herzien of intrekken, indien:

a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening; of b. anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2008/09, 31 775, nr 3,blz 46) kan het college een besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening intrekken of herzien in twee gevallen: “Ten eerste, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een aantal verplichtingen heeft geleid tot het ten onrechte verstrekken van een inkomensvoorziening of tot een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening. Ten tweede gaat het om gevallen waarin door een fout van het college teveel aan inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte inkomensvoorziening is verstrekt”.

4.2.3. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ bepaalt dat geen recht op de inkomensvoorziening bestaat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Hier is van belang de verplichting uit hoofdstuk 5 genoemd in artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ op grond waarvan de jongere moet meewerken aan activiteiten en werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling.

4.2.4. Het college heeft de intrekking van de inkomensvoorziening van appellant gebaseerd op de artikelen 40, derde lid, aanhef en onder b, en 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ en het standpunt ingenomen dat uit houding en gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen waardoor de inkomensvoorziening ten onrechte is verleend.

4.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ niet aan de intrekking van de inkomensvoorziening van appellant ten grondslag kan worden gelegd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de toepassing van deze bepaling blijkens de wetsgeschiedenis is beperkt tot het geval waarin door een fout van het college de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend en de jongere dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. De intrekkingsgrondslag moet naar het oordeel van de rechtbank worden ontleend aan artikel 24 van de WIJ op grond waarvan het college bevoegd is een inkomensvoorziening te verlenen aan de jongere die een werkleeraanbod heeft aangevraagd.

4.4. Het onder 4.3 weergegeven oordeel van de rechtbank wordt niet gevolgd. De tekst van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ is niet beperkt tot het door de rechtbank genoemde geval. Voorts sluit de - onder 4.2.2 weergegeven - wetsgeschiedenis een intrekking van de inkomensvoorziening met toepassing van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ niet uit in de situatie waarin geen recht op de inkomensvoorziening bestaat omdat uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Dit betekent dat het college de intrekking van de inkomensvoorziening van appellant heeft gebaseerd op een juiste wettelijke grondslag.

4.5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat uit de houding en gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Uit de gedingstukken - waaronder de Rapportage Beëindiging WLA en IV van 5 oktober 2010 - volgt dat appellant gedurende het werkleeraanbod in de periode van 14 juli 2010 tot 4 oktober 2010 voor het merendeel ongeoorloofd afwezig is geweest. Regelmatig is appellant zonder opgave van redenen niet verschenen bij het ATC. Ook heeft hij zich afgemeld in verband met ziekte en een bezoek aan de huisarts, terwijl hij door de bedrijfsarts geschikt is geacht om te werken en hij zijn afmeldingen niet heeft onderbouwd met concrete gegevens, zoals een verklaring of een afsprakenkaart van de huisarts. Appellant is herhaaldelijk aangesproken op zijn houding en gedrag, maar heeft daarin geen aanleiding gezien voor een andere opstelling. Bij gesprekken op 1 en 9 september 2010 heeft hij gesteld dat hij recht heeft op een uitkering en niet wil werken voor 1 euro per uur, respectievelijk niet gratis gaat werken. Hieruit volgt dat appellant ondubbelzinnig de onder 4.2.3 vermelde verplichting uit hoofdstuk 5 van de WIJ niet wil nakomen, zodat hij op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ geen recht had op de inkomensvoorziening. Aangezien aan appellant ten onrechte de inkomensvoorziening is verleend was het college op grond van artikel 43, derde lid, aanhef en onder c, van de WIJ bevoegd over te gaan tot intrekking van de inkomensvoorziening over de periode van 4 oktober 2010 tot en met 10 oktober 2010.

4.6. Appellant heeft in hoger beroep gewezen op het belastende karakter van een intrekkingsbesluit, waarbij - anders dan in geval van een beëindiging - sprake is van het ongedaan maken van een recht met terugwerkende kracht. Appellant heeft aangevoerd dat de intrekking van zijn inkomensvoorziening een stap te ver is omdat hij tijdens het werkleeraanbod uitsluitend contact had met het ATC waardoor hij de gerechtvaardige verwachting kon hebben dat het college hem eerst zou waarschuwen dan wel zijn inkomensvoorziening zou verlagen. De rechtbank heeft volgens appellant dan ook ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking, in stand gelaten.

4.7. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit de gedingstukken dat hij gedurende het werkleeraanbod niet alleen van doen had met het ATC, maar ook met het college. Appellant is meermalen door medewerkers van het ACT en van het college aangesproken op zijn houding en gedragingen en de gevolgen daarvan voor zijn recht op de inkomensvoorziening. Zo blijkt uit de - onder 4.5 genoemde - rapportage van 5 oktober 2010 van de Consulent Inkomen M. Croese dat deze medewerkster van het college appellant bij een gesprek over zijn afwezigheid op 9 september 2010 meerdere keren heeft meegedeeld dat hij pas door mee te werken aan het werkleeraanbod recht heeft op een inkomensvoorziening. Op 21 september 2010 heeft Silvie, een medewerkster van het ATC, appellant naar aanleiding van zijn verzuim meegedeeld dat hij geen uitkering ontvangt als hij niet naar het ATC komt. Op 30 september 2010 heeft M. Croese appellant meegedeeld dat hij door de bedrijfsarts geschikt is geacht om te werken en dat hij bij een afmelding in verband met een afspraak met de huisarts een bewijs van die afspraak moet overleggen. Vervolgens was appellant weer ongeoorloofd afwezig waarna de inkomensvoorziening is ingetrokken. Dat appellant deze aanwijzingen naast zich neer heeft gelegd komt voor zijn rekening en risico. Hieruit volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dit besluit ziet op de intrekking van de inkomensvoorziening, terecht in stand heeft gelaten.

4.8. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden, wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD