Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11-1061 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering mantelzorgcompliment voor het jaar 2008. Het kalenderjaar waarin de indicatie voor zorg ingevolge de AWBZ is afgegeven, is bepalend voor het jaar waarin het recht op een mantelzorgcompliment bestaat. Het is aan betrokkene om aan te tonen dat er sprake is van een in 2008 afgegeven indicatie. Daarin is zij niet geslaagd. Dat betekent dat moet worden uitgegaan van de indicatie van 15 januari 2009, zodat op grond van artikel 6d, vijfde lid, van de Regeling geen aanspraak bestaat op een mantelzorgcompliment voor het jaar 2008. Voor het vijfde lid van art. 6d, is in de Regeling geen hardheidsclausule opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank de hardheidsclausule ten onrechte heeft toegepast, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/78
RSV 2012/172

Uitspraak

11/1061 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011, 10/3017, (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg en betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Door middel van indiening van een op 6 december 2008 ondertekend aanvraagformulier AWBZ heeft de - inmiddels overleden - moeder van betrokkene, [naam moeder], onder vermelding van de mantelzorg die haar wordt geboden de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht om toekenning van een mantelzorgcompliment.

1.2. Bij brief van 15 januari 2009 heeft CIZ de moeder meegedeeld dat zij geïndiceerd is voor de periode van 15 januari 2009 tot 14 januari 2014 voor persoonlijke verzorging klasse 2. Vermeld staat dat dit nieuwe indicatiebesluit is genomen op 15 januari 2009, dat de mantelzorg in kaart is gebracht en dat deze verder wordt afgehandeld door appellant.

1.3. Naar aanleiding van een op 31 januari 2010 ingediende klacht van betrokkene over de weigering van een mantelzorgcompliment heeft appellant bij brief van 5 februari 2010 meegedeeld niet te beschikken over indicatiegegevens over de moeder en deze te zullen opvragen bij CIZ.

1.4. Per mailberichten van 4, 5 en 9 februari 2010 heeft CIZ aan appellant bericht dat het eerste na 1 april 2007 gegeven indicatiebesluit over de moeder dateert van 15 januari 2009.

1.5. Appellant heeft de aanvraag om een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning (mantelzorgcompliment) voor het jaar 2008 bij besluit van 18 februari 2010 afgewezen, omdat een mantelzorgcompliment pas kan worden toegekend vanaf het kalenderjaar waarin de indicatie die voldoet aan de voorwaarden, is afgegeven. De indicatie voor de moeder is afgegeven op 15 januari 2009.

1.6. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene kennelijk ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant geen mogelijkheid heeft om af te wijken van het in de Regeling maatschappelijke ondersteuning (Regeling) bepaalde dat de datum waarop de indicatie is afgegeven, bepalend is voor het jaar waarin recht op een mantelzorgcompliment bestaat.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 juni 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat betrokkene het mantelzorgcompliment voor het jaar 2008 ad € 250,-- wordt toegekend. De rechtbank heeft overwogen dat strikte toepassing van artikel 6d, vierde lid, van de Regeling in de aan de orde zijnde situatie leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 6i van de Regeling, nu betrokkene uitsluitend door de afgifte van het in 2008 aangevraagde indicatiebesluit in het kalenderjaar 2009 niet in aanmerking komt voor het mantelzorgcompliment 2008. De rechtbank ziet aanleiding om de aanvraagdatum van 6 december 2008 als peildatum aan te merken, waardoor betrokkene in aanmerking komt voor het mantelzorgcompliment 2008.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd, dat hij geen bevoegdheid heeft om van het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de Regeling af te wijken, ook niet in geval van een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien is er geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, omdat de moeder eerder om een herindicatie had kunnen vragen. Het risico van een laat verzoek om herindicatie ligt bij betrokkene. CIZ heeft binnen de wettelijke termijn een beslissing genomen. Eerst bij het indicatiebesluit van 15 januari 2009 is vermeld dat voor een gedeelte van de geïndiceerde zorg mantelzorg aanwezig is. Verder is door de wetgever bewust geregeld dat zorgbehoeftigen met een indicatie die is afgegeven voor 1 april 2007 niet onder de Regeling vallen.

3.2. Betrokkene stelt dat zij in 2008 verschillende malen gebeld heeft met appellant en CIZ over het mantelzorgcompliment en over de daarvoor van belang zijnde formulieren. Ondanks toezeggingen van appellant zijn haar geen formulieren toegestuurd. Volgens betrokkene was appellant daartoe wel gehouden. Door omstandigheden is men vergeten haar moeder te herindiceren, waardoor noch in 2007 noch in 2008 is vastgelegd dat betrokkene mantelzorger voor haar moeder was. CIZ zou haar hebben meegedeeld dat de indicatie al op 10 december 2008 per mail aan appellant is doorgegeven. Appellant heeft dit door een onjuiste vraagstelling aan CIZ in de bezwaarfase onvoldoende onderzocht.

Toepasselijke bepalingen

4.1.1. Artikel 19a van de Wmo luidde met inachtneming van de aan de inwerkingtreding gegeven terugwerkende kracht ten tijde in geding als volgt:

1. Onze Minister kan aan een persoon die mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, verleent ter waardering van zijn werk een uitkering verstrekken.

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van een uitkering. In ieder geval worden regels gesteld met betrekking tot:

a. het bedrag van de uitkering;

b. de aanvraag van de uitkering;

c. de criteria die voor de verstrekking van de uitkering worden gesteld;

d. de betaling van de uitkering.

3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid delegeren aan een ander bestuursorgaan.

4.1.2. De voor dit geding van belang zijnde bepalingen van de op de Wmo berustende Regeling luidden als volgt:

Artikel 6b (tot 1 augustus 2009)

Een mantelzorger ontvangt ter waardering van zijn werk een uitkering, indien:

a. door het CIZ of het bureau jeugdzorg na 1 april 2007 aan een persoon een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten minste zes maanden voor extramurale zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 6d (tot 1 augustus 2009)

1. De toekenning van een uitkering vindt plaats door de SVB naar aanleiding van een daartoe door de mantelzorger bij de SVB ingediende aanvraag.

(…)

4. De aanvraag wordt door de mantelzorger ingediend uiterlijk drie maanden na de dag waarop het aanvraagformulier aan een persoon als bedoeld in artikel 6b, onder a, die voldoet aan artikel 6b, onder b, is toegezonden of uitgereikt. De aanvraag is mede-ondertekend door die persoon.

5. De aanvraag heeft betrekking op het kalenderjaar waarin de in artikel 6b, onder a, bedoelde indicatie is afgegeven.

Artikel 6i (hardheidsclausule)

De SVB kan de artikelen 6b en 6d, vierde lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Beoordeling

4.2. Het gaat in dit geding over een mantelzorgcompliment voor het jaar 2008. Hierop is het materiële recht van toepassing zoals vermeld in 4.1.1 en 4.1.2.

4.3. De weigering van appellant is gebaseerd op het bepaalde in artikel 6d, vijfde lid, van de Regeling, zoals deze luidde tot 1 augustus 2009. Uit deze bepaling volgt dat het kalenderjaar waarin de indicatie voor zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is afgegeven, bepalend is voor het jaar waarin het recht op een mantelzorgcompliment bestaat. Betrokkene heeft aangevoerd dat de in het besluit van 15 januari 2009 neergelegde indicatie al in december 2008 door CIZ aan appellant is doorgegeven. Uit de weergave van in februari 2010 plaatsgevonden hebbend mailverkeer tussen CIZ en appellant over de data van indicatiebesluiten blijkt echter dat het eerste indicatiebesluit dat is afgegeven na 1 april 2007, dateert van 15 januari 2009. Het is aan betrokkene om aan te tonen dat er sprake is van een in 2008 afgegeven indicatie. Daarin is zij niet geslaagd. Dat betekent dat moet worden uitgegaan van de indicatie van 15 januari 2009, zodat op grond van artikel 6d, vijfde lid, van de Regeling geen aanspraak bestaat op een mantelzorgcompliment voor het jaar 2008.

4.4. Appellant neemt terecht het standpunt in dat hij niet bevoegd is om ingeval van een onbillijkheid van overwegende aard af te wijken van het bepaalde in artikel 6d, vijfde lid, van de Regeling. Artikel 6i van de Regeling biedt immers alleen de mogelijkheid om - voor zover hier van belang - het vierde lid van artikel 6d van de Regeling buiten toepassing te laten. Voor het vijfde lid van die bepaling is in de Regeling geen hardheidsclausule opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank de hardheidsclausule ten onrechte heeft toegepast, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.5. Nu appellant niet bevoegd is om van het bepaalde in artikel 6d, vijfde lid, af te wijken, en deze bepaling in de weg staat aan toekenning van een mantelzorgcompliment voor het jaar 2008, kan al hetgeen door betrokkene verder nog is aangevoerd, niet tot een gegrond beroep leiden. Dit laat de Raad daarom onbesproken. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

4.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de rechtbank het bij haar ingestelde beroep tegen het besluit van 24 juni 2010 ongegrond had moeten verklaren. Dat doet de Raad nu zelf in deze uitspraak.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. van Dam.

HD