Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW4043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11-6075 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Appellant kan zich enkel niet vinden in hetgeen is opgenomen in onderdeel 5 van de beoordeling “vooruitkijken: afspraken voor de toekomst”. Aangezien sprake is van tijdelijke werkzaamheden in verband met waarneming, kan niet gesteld worden dat appellant heeft voldaan aan alle voorwaarden om aanspraak te maken op een hogere bezoldiging. \Op de staatssecretaris rust uit hoofde van goed werkgeverschap geen inspanningsverplichting jegens appellant om hem alsnog in een I-functie te benoemen of hem op dat niveau te bezoldigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6075 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 september 2011, 11/2546 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 19 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.A. Helmer. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Wieten en R.H. Laurs.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds maart 2007 werkzaam in groepsfunctie F op de afdeling Omzetbelasting/Midden en klein bedrijf (OB/MKB) bij de Belastingdienst/Holland-Midden, kantoor [locatie]. In deze functie heeft appellant fiscale werkzaamheden verricht op het terrein van de omzetbelasting voor midden- en klein bedrijf. Vanaf 2007 heeft appellant deels de taken van G overgenomen vanwege de beperkte aanwezigheid van G. Het betrof de vaktechnische taken behorend bij het kantoorseniorschap in groepsfunctie I.

1.2. Bij besluit van 20 april 2010 heeft de staatssecretaris, nadat appellant zijn bedenkingen hiertegen heeft kunnen uiten, een beoordeling over appellant vastgesteld over het tijdvak 1 januari 2008 tot 1 oktober 2009.

1.3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2010 heeft de staatssecretaris bij besluit van 30 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat de inhoudelijke tekst van de beoordeling niet in geschil is. Appellant kan zich enkel niet vinden in hetgeen is opgenomen in onderdeel 5 van de beoordeling “vooruitkijken: afspraken voor de toekomst”. Hierin is door de beoordelingsautoriteit - voor zover van belang - het volgende vastgesteld:

“Nu de vacature op I-niveau binnen de werkeenheid OB is vervuld door een andere medewerker is een einde gekomen aan de invulling van de uitvoering van vorengenoemde werkzaamheden (bedoeld zijn de werkzaamheden van appellant op I-niveau). Als de beoordeelde in aanmerking wil komen voor een vacature op I-niveau dan zal hij ten minste moeten beschikken over een niveautest op academisch niveau.”

3.2. Appellant heeft aangevoerd dat hem vanwege zijn langdurige waarneming van taken van G een aanstelling, althans bezoldiging op het niveau van groepsfunctie I toekomt. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hiervoor twee mogelijkheden openstaan. De eerste mogelijkheid is voldoen aan de gestelde functie-eisen voor groepsfunctie I overeenkomstig het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst. Deze functie-eisen zien in ieder geval op een academische opleiding of een niveautest op academisch niveau. De tweede mogelijkheid is indien hem op structurele basis werkzaamheden worden opgedragen in groepsfunctie I en die werkzaamheden vervolgens meer dan 50% van het takenpakket bedragen en wat betreft zwaarte aan de bovenkant van de groepsfunctie zitten. De Raad stelt vast dat niet betwist is dat appellant niet een niveautest op academisch niveau heeft behaald. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de werkzaamheden die appellant heeft verricht in groepsfunctie I meer dan 50% van zijn takenpakket hebben bedragen en of de werkzaamheden wat betreft de zwaarte aan de bovenkant van de groepsfunctie zaten. Wat hier verder ook van zij, de Raad stelt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat de werkzaamheden die appellant verrichtte in groepsfunctie I in ieder geval werkzaamheden betroffen die appellant niet op structurele basis zijn opgedragen. Aan appellant is ook meerdere malen duidelijk gemaakt dat het om tijdelijke werkzaamheden ging. Reeds hierom kan niet gesteld worden dat appellant heeft voldaan aan alle voorwaarden om aanspraak te maken op een hogere bezoldiging. De Raad komt tot de slotsom dat de beide door de staatssecretaris genoemde mogelijkheden zich niet voordoen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

3.3. Voorts heeft appellant aangevoerd dat op de staatssecretaris uit hoofde van goed werkgeverschap een inspanningsverplichting jegens appellant rust om hem alsnog in een I-functie te benoemen of hem op dat niveau te bezoldigen. Appellant verwacht een gebaar van de staatssecretaris, aangezien in juni 2009 ineens een collega van appellant zijn werkzaamheden in groepsfunctie I heeft overgenomen en is benoemd in de functie van G, zonder dat de staatssecretaris appellant hierover heeft bericht of hierover enig overleg met appellant heeft gevoerd. Appellant begrijpt niet waarom hij niet is gevraagd de betreffende functie te vervullen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de sollicitatieprocedure en de overwegingen waarop dit oordeel berust. In het bijzonder acht de Raad van belang dat appellant kon weten dat versterking werd gezocht met het oog op onder meer de taken die hij waarnam en appellant er desondanks voor gekozen had om niet mee te solliciteren naar de I-functie. Daaraan voegt de Raad toe dat het vanuit het gezichtspunt van de staatssecretaris begrijpelijk is dat deze niet aan appellant heeft gedacht tijdens de sollicitatieprocedure naar de functie van G, aangezien appellant om principiële redenen niet bereid was gebleken een niveautest op academisch niveau te doen en dit in ieder geval een van de vereisten voor de openstaande functie was. Ook is de Raad het eens met het standpunt van de staatssecretaris dat het niet passend zou zijn geweest tegenover de andere kandidaten in de sollicitatieprocedure om appellant te benaderen voor de vacature, nu appellant niet had gesolliciteerd. De Raad ziet dan ook niet in dat de staatssecretaris uit hoofde van goed werkgeverschap een inspanningsverplichting als bedoeld door appellant zou hebben. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

3.4. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) M.C. Nijholt.

HD