Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
10-154 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Twee periodes. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante gedurende de periode van bedrijfssluiting haar inlichtingenverplichting heeft geschonden wat betreft de opgave van werkzaamheden, zodat de intrekking van de bijstand in zoverre geen stand kan houden. Gelet op de wisselende verklaringen van de getuigen omtrent het aantal uren dat appellante per week werkte, kan het college het recht op bijstand van appellante in de te beoordelen periode met uitzondering van de periode van bedrijfssluiting (restant periode) niet vaststellen. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het ziet op de intrekking over de periode van bedrijfssluiting en de terugvordering als geheel en draagt het college op de gebreken in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/154 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 november 2009, 09/573 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 17 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Vogel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vogel. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Ter zitting is [naam werkgever] (werkgever), door appellante opgeroepen, als getuige onder ede gehoord.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt - met onderbrekingen - bijstand sinds 4 oktober 1999, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Sociale Recherche Almere (sociale recherche) heeft appellante aangehouden ter zake van het verrichten van niet bij het college gemelde werkzaamheden gedurende de periode 8 november 1999 tot en met 29 oktober 2002. Tijdens een verhoor heeft appellante destijds verklaard dat zij 5 dagen per week gedurende 6 uur per dag werkzaamheden verricht voor [naam snackbar] te [vestigingsplaats], een eenmanszaak van de werkgever, en dat zij dit niet aan het college heeft gemeld op rechtmatigheidsformulieren. Vanaf november 2002 heeft appellante op rechtmatigheidsformulieren melding gemaakt van 20 uur werkzaamheden per week voor de werkgever. Appellante heeft met ingang van 1 maart 2003 een arbeidsovereenkomst gesloten met de werkgever. Daarin is bepaald dat appellante is aangesteld voor 20 uur in de week, dat de werkdagen en -tijden in principe zijn van maandag tot en met zaterdag van 10.00 tot 18.00 uur en dat appellante in overleg met de werkgever de werktijden flexibel kan invullen.

1.2. Op 19 oktober 2006 heeft appellante tegenover een bijstandsconsulent verklaard dat zij een uitbreiding van haar werkzaamheden had gekregen en dat zij daarom geen beroep op bijstand hoefde te doen. Het college heeft de betaling van de bijstand van appellante van 19 oktober 2006 tot en met 20 juni 2007 geblokkeerd. Met ingang van 21 juni 2007 heeft het college de bijstand van appellante met terugwerkende kracht betaalbaar gesteld, aangezien zij maandelijks haar rechtmatigheidsformulieren met een specificatie van haar werkgever van 20 uur per week bleef inleveren.

1.3. De sociale recherche heeft na een verzoek daartoe, gedateerd 9 augustus 2007, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Aanleiding was een anonieme melding, dat appellante officieel

4 uur per dag in loondienst zou zijn, maar in de praktijk 12 uur per dag zou werken, en het gegeven dat, nu het salaris van appellante werd uitbetaald aan de Stadsbank en zij weekgeld ontving, zij slechts beschikte over € 240,-- per maand om van te leven. Bij dit onderzoek heeft de sociale recherche registers geraadpleegd en informatie opgevraagd bij instanties. Verder zijn waarnemingen verricht in de periode van 29 oktober 2007 tot en met 4 november 2007, en zijn vervolgens met toestemming van de officier van justitie stelselmatige observaties verricht van 19 november 2007 tot en met 17 februari 2008. De sociale recherche heeft de werkgever als getuige en appellante en andere personen in maart 2008 als verdachten verhoord. De sociale recherche heeft hun verklaringen vastgelegd in processen-verbaal. Het onderzoek is afgesloten met een rapport dat op 20 maart 2008 naar waarheid is opgemaakt. De sociale recherche heeft hierin geconcludeerd dat appellante in de periode van 1 november 2002 tot en met 3 maart 2008 (te beoordelen periode), al dan niet met onderbrekingen, meer dan 20 uur werkzaamheden per week heeft verricht en/of inkomsten heeft ontvangen zonder hiervan juiste opgave te doen.

1.4. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het college bij besluit van 17 april 2008, gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2008, de bijstand van appellante met ingang van 4 maart 2008 beëindigd. De rechtbank heeft bij uitspraak van

5 januari 2009, 08/1189, het beroep tegen het besluit van 16 juni 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Het college heeft eveneens op grond van de resultaten van het onder 1.3 genoemde onderzoek bij besluit van 2 oktober 2008 de bijstand van appellante over de te beoordelen periode ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die periode teruggevorderd tot een bedrag van € 39.027,19.

1.6. Bij besluit van 5 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2008 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, doordat zij niet volledig opgave heeft gedaan van verrichte werkzaamheden en genoten inkomsten in de te beoordelen periode. Het recht op bijstand is daardoor niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij betoogt - samengevat - dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer dan 20 uur per week werkzaam was bij de werkgever, en zeker niet sinds november 2002. Voorts bestaat een dringende reden om af te zien van terugvordering. Die is gelegen in de zwakke feitelijke onderbouwing daarvan, in combinatie met het gegeven dat door de terugvordering schuldsanering dreigt te mislukken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Eerst is tussen partijen in geschil of appellante in de te beoordelen periode langer dan 20 uur per week werkzaamheden verrichtte voor de werkgever.

4.1.1. Tijdens haar verhoor heeft appellante verklaard dat zij vier dagen per week werkt, en nooit in het weekend. Zij werkt nooit meer dan vijf uur per dag. Zij begint soms om 11 uur of 12 uur en soms kookt ze nog twee uurtjes voor zichzelf. Zij gaat om 18.00 uur weg, maar soms ook wel om 19.00 uur of 19.30. Zij is wel vier dagen in de week 8 uur in de keuken aanwezig, maar daarvan kookt zij vijf uur voor de werkgever en drie uur voor zichzelf.

4.1.2. De sociale recherche heeft bij het onder 1.3 genoemde onderzoek K.A. [W.] ([W.]) en S. [D.] ([D.]) als verdachten verhoord. [D.] werkt vijf dagen per week voor de werkgever van half negen ’s ochtends tot acht uur ’s avonds sinds 2004. Hij heeft verklaard dat appellante gemiddeld 5 keer 7 uur werkt en soms 5 keer 8 uur. [W.] werkte al tien jaar voor de werkgever; in december 2007 is hij gestopt. Hij heeft verklaard dat appellante vijf dagen in de week werkt bij de werkgever van 10.00 of 10.30 uur tot 20.00 uur.

4.1.3. De werkgever heeft in het onder 1.3 genoemde onderzoek als getuige verklaard dat appellante onregelmatig werkt en zelf beslist wanneer. Appellante heeft een sleutel van de bedrijfskeuken. Zij kookt daar ook voor zichzelf en zij laat dan ook eten achter bestemd voor de werkgever. Dit doet zij al 6 à 7 jaar. Ter zitting heeft de werkgever als getuige verklaard dat hij altijd in de kraam staat, waar de etenswaren verkocht worden, en dus geen zicht heeft op de omvang van de werkzaamheden van appellante in de bedrijfskeuken elders in de gemeente. Daarom kan zijn verklaring ook niet in het voordeel van appellante strekken.

4.1.4. Appellante heeft tijdens haar verhoor verklaard dat zij enige bestuurder is van een gele Opel Corsa met een bepaald kenteken (auto). Ook anderen hebben dit verklaard. De sociale recherche heeft in de onder 1.4 genoemde perioden op verschillende tijdstippen vrijwel dagelijks waarnemingen en observaties verricht. Daarbij heeft de sociale recherche de auto veelvuldig waargenomen bij de bedrijfskeuken en geconstateerd dat appellante regelmatig niet vier, maar vijf dagen in de week in de bedrijfskeuken aanwezig was. Ook bleek zij een aantal malen eerder dan 12.00 uur en later dan 18.00 uur aanwezig te zijn.

4.2. Met de onder 4.1 genoemde gegevens heeft het college, behoudens de nog te noemen periode, aannemelijk gemaakt dat appellante meer uren gewerkt heeft in de te beoordelen periode dan de 20 uur die zij aan het college heeft opgegeven. Uit de verklaringen van appellante, [W.], [D.] en de werkgever volgt ook dat dit het geval is geweest vanaf november 2002. In zoverre slagen de gronden van appellante in hoger beroep niet. Daaraan doet niet af dat het gerechtshof te Arnhem appellante, nadat zij daarvoor in eerste aanleg was veroordeeld, in hoger beroep heeft vrijgesproken van het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.3. Appellante heeft onbestreden gesteld dat het bedrijf van de werkgever tussen 25 december 2007 en 11 februari 2008 (periode van bedrijfssluiting) gesloten was in verband met familiebezoek van de werkgever buiten Nederland en dat zij in die periode in het geheel niet heeft gewerkt. Dit is in overeenstemming met de verrichte waarnemingen. Dit is ook in het onder 1.5 genoemde rapport opgenomen. Voor haar verdergaande stelling dat dit ieder jaar het geval was, heeft zij echter, noch wat betreft de data, noch wat betreft de reden van bedrijfssluiting enig aanknopingspunt of onderbouwing verstrekt. Daarom wordt hieraan voorbijgegaan.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante gedurende de periode van bedrijfssluiting haar inlichtingenverplichting heeft geschonden wat betreft de opgave van werkzaamheden, zodat de intrekking van de bijstand in zoverre geen stand kan houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.5. De schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.6. Appellante heeft niet gesteld dat haar recht op bijstand ondanks de schending van de inlichtingenverplichting wel is vast te stellen. Zij heeft immers volgehouden dat zij niet meer dan 20 uur per week heeft gewerkt. Gelet hierop en op de wisselende verklaringen van de getuigen omtrent het aantal uren dat appellante per week werkte, kan het college het recht op bijstand van appellante in de te beoordelen periode met uitzondering van de periode van bedrijfssluiting (restant periode) niet vaststellen.

4.7. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het college bevoegd is om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de restant periode in te trekken. Tegen de uitoefening van deze bevoegdheid heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.8. Daaruit volgt dat het college ook bevoegd is met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de restant periode terug te vorderen. Het college voert het beleid dat het in beginsel niet afziet van terugvordering van kosten van bijstand in gevallen waarin de bevoegdheid daartoe bestaat. Enkel in het geval de terugvordering zou leiden tot absoluut onaanvaardbare financiële of sociale consequenties bij de belanghebbende of diens gezin ziet het college af van terugvordering. Geheel of gedeeltelijk kan het college afzien van terugvordering in geval van dringende redenen of - kort gezegd - wanneer terugvordering schuldsanering in gevaar brengt, terwijl er geen sprake is van recidive.

4.9. In hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de financiële gevolgen van terugvordering zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan het college dient af te zien daarvan. Het betoog van appellante dat de terugvordering onredelijk is in verband met de gevolgen voor haar schuldsanering moet eveneens falen. Het college hoeft, nu het hier een geval van recidive betreft, niet daarom de terugvordering achterwege te laten.

4.10. Gelet op hetgeen onder 4.4 tot en met 4.9 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het ziet op de intrekking over de periode van bedrijfssluiting en de terugvordering als geheel.

4.11. Voorts ligt finale beslechting van het geschil met toepassing van een zogenoemde bestuurlijke lus in het verschiet. Daarom zal de Raad met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college opdragen om de onder 4.4 en 4.10 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen, en daartoe binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen ten aanzien van de intrekking over de periode van bedrijfssluiting en de terugvordering van bijstand, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 5 maart 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD