Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW3889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
11-4564 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts vastgestelde geschiktheid van appellante tot het verrichten van de functies die haar in het kader van de WAO-beoordeling zijn voorgehouden. Appellante heeft ook in hoger beroep haar stelling dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten niet met (nieuwe) medische gegevens onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4564 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2011, 10/4265 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appelante is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was tot en met 11 december 1985 werkzaam als administratief medewerkster bij een bank voor 38 uur per week. In verband met een ziekmelding wegens psychische klachten is appellante met ingang van 9 juni 1987 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 12 februari 2009 is de WAO-uitkering van appellante per 13 april 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het Uwv heeft het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 7 juli 2009 ongegrond verklaard. Appellante werd daarbij ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen de functies van elektromonteur, productiemedewerker industrie en wikkelaar/samensteller te verrichten. Tegen het besluit van 7 juli 2009 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Appellante heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving op 12 april 2010 ziek gemeld wegens dezelfde psychische klachten, vermoeidheid en gebrek aan energie. Na medisch onderzoek op 4 augustus 2010 heeft de verzekeringsarts appellante met ingang van 4 oktober 2010 geschikt geacht voor haar arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 6 augustus 2010 beslist dat appellante met ingang van 4 oktober 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 19 november 2010 - bij besluit van 23 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien voor twijfel aan de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts per 4 oktober 2010 vastgestelde geschiktheid van appellante tot het verrichten van de functies die haar in het kader van de WAO-beoordeling zijn voorgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is door appellante niet gesteld en met medische stukken onderbouwd dat zij per 4 oktober 2010 meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsartsen zijn vastgesteld en neergelegd in de in het kader van de WAO-beoordeling opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Nu er geen sprake is van toename van de beperkingen van appellante ten opzichte van 13 april 2009 en in rechte vaststaat dat appellante destijds in staat was de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies te verrichten, is appellante naar het oordeel van de rechtbank in staat die functies te verrichten.

3. In hoger beroep stelt appellante zich zowel fysiek als mentaal niet in staat te achten om te werken. Ook geeft zij aan dat zij er financieel flink op achteruit zal gaan.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. In dit geval is dat de hiervoor genoemde arbeid die voor appellante vanaf 13 april 2009 als passend kan worden aangemerkt. Daarbij is het voldoende indien de hersteld verklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.3. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank weergegeven overwegingen en volstaat met een verwijzing daarnaar.

Appellante heeft ook in hoger beroep haar stelling dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten niet met (nieuwe) medische gegevens onderbouwd.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM